Somoud Ghazal

Somoud Ghazal is een Palestijns-Libanese journaliste, geboren en getogen in het Palestijnse vluchtelingenkamp Burj al-Barajneh in Libanon.

14 May 2026 Lees meer over
Klik hier voor Nederlandse versie

Somoud GhazalAchtenzeventig jaar Nakba, achtenzeventig jaar dromen

Somoud Ghazal is 39 jaar geleden geboren in een vluchtelingenkamp in de Libanese hoofdstad Beiroet. Rond elke herdenking van de Nakba droomt ze over Palestina. ‘Wij zijn niet teruggekeerd, maar ook niet verdwenen.’

R0PYTF 31 October 2018, Lebanon, Bourj Al Brajneh: Palestinian refugee camp Bourj Al Brajneh. Photo: Britta Pedersen/dpa-Zentralbild/ZB

Elk jaar, wanneer de herdenking van de Nakba aanbreekt, voelt Palestina niet als een herinnering die wordt opgehaald, maar als een volledig leven van een voortdurende droom. Achtenzeventig jaar is geen getal in een geschiedenisboek, maar een optelsom van mensenlevens, uitgestelde levens en een geheugen dat niet slaapt.

Mijn moeder leefde zevenenvijftig jaar in ballingschap. Ikzelf bracht negenendertig jaar door met het etiket ‘vluchtelinge’, alsof het een familienaam was. En mijn dochter was nog geen negen jaar oud of zij erfde al het kamp, de angst en dezelfde vragen. Mijn grootmoeder droeg eenentachtig jaar lang de last van de diaspora en stierf in de overtuiging dat de weg naar Palestina korter was dan deze wereld.

Maar de weg werd langer, totdat de Palestijn geboren lijkt te worden in een eeuwige wachtrij: zonder terugkeer, zonder stabiliteit, zelfs zonder het vermogen om te vergeten.

Van de aardbodem verdwenen

In de Gazastrook wordt leeftijd niet langer in jaren gemeten, maar in het aantal overlevenden binnen een familie, in het aantal namen dat nog in de registers staat — of volledig is uitgewist. Hele families zijn van de aardbodem verdwenen: hun huizen zijn weggevaagd, er zijn geen foto’s meer, geen kind dat de naam verder draagt naar de volgende generatie. In de Gazastrook huilen moeders niet alleen om het verlies van hun kinderen, maar ook om het afbreken van de familielijn zelf, alsof het doden niet alleen de mens treft, maar ook het verhaal.

Intussen groeit Israël, het breidt zich uit en wordt sterker. Israëliërs bouwen meer nederzettingen, terwijl wij meer verhalen construeren over terugkeer. Zij maken een werkelijkheid van ijzer en vuur; wij maken een vaderland van woorden, beelden en heimwee.

En toch stoppen wij niet met dromen. Misschien omdat de Palestijn sterft zodra hij ophoudt met dromen.

Een ander leven

Soms stel ik mij een ander leven voor. Wat als mijn vader nooit door het Israëlische leger was verdreven? Wat als hij verliefd was geworden op een vrouw die niet, zoals hij, een vluchtelinge was? Wat als ik was geboren in een echte stad en niet in een kamp? Hoe zou mijn psyche dan zijn gevormd? Hoe zou mijn jeugd eruit hebben gezien, ver weg van berichten over bloedbaden, oorlogen en de gezichten van martelaren?

Ik stel mij voor dat ik door Jeruzalem loop — niet als een vreemde, maar als dochter van die plaats. Ik vraag mij af: zou ik daar aan een universiteit hebben gestudeerd? Of in Ramallah? Of misschien in Gaza, de stad die ik alleen via de dood heb leren kennen? En wat zou ik hebben gestudeerd? Zou ik ook journalistiek hebben gekozen, of zou ik een gewoon leven hebben geleid, niet opgebouwd rond het najagen van zwaar nieuws, dode lichamen en teleurstelling?

Ik herinner mij mijn grootmoeder van vaderskant, ze zei altijd: ‘Jij bent een meisje uit de stad… je moet trouwen met een jongen uit de stad.’ Maar zelfs liefde wordt voor een Palestijn een ingewikkelde droom: iemand uit de stad, iemand van het platteland, een vluchteling, geen vluchteling, kamp, diaspora, paspoort, tijdelijke identiteit, doorgangsvergunning. De bezetting heeft zich niet tot het land beperkt, maar is doorgedrongen tot in de kleinste details van ons leven — zelfs tot onze keuzes van het hart.

Identiteit, ballingschap en ontworteling

Soms vraag ik mij af: zouden mijn problemen groot hebben geleken als ik verliefd was geworden op een hardwerkende boer? Zou dat dan mijn grootste tragedie zijn geweest, in plaats van mijn vragen over identiteit, ballingschap en ontworteling? Zouden mijn buren allemaal tot dezelfde geloofsgemeenschap hebben behoord? Zou mijn dochter een normale jeugd hebben gehad, in plaats van de prijs te betalen voor het feit dat haar moeder een vluchtelinge is?

Onze kinderen erven vermoeidheid, voordat zij onze namen erven. Mijn dochter heeft Palestina nooit gezien, maar zij kent de betekenis van een checkpoint, van angst en van vluchtelingschap. Zij weet dat er volkeren zijn die worden geboren met huissleutels in hun hand, terwijl wij geboren worden met de sleutels van afwezigheid.

Achtenzeventig jaar — en nog steeds zitten wij vast. Wij zijn niet teruggekeerd, maar ook niet verdwenen. Alsof de Palestijn veroordeeld is om binnen een gesloten cirkel van hoop en pijn te leven; van bloed en water, van verhalen en onrecht, van een leven dat zich blijft herhalen tot uitputting toe.

Een normaal leven is de grootste droom

En toch tekent ergens tussen dit puin nog altijd een kind de Palestijnse vlag in zijn schoolschrift. Nog altijd bewaart een moeder de sleutel van een huis dat al vóór haar geboorte werd verwoest. Nog altijd zegt een oude man tegen zijn kinderen: ‘Als ik sterf… begraaf mij dan in Palestina.’

Misschien is dat het enige wonder van de Palestijn: dat Israël, ondanks alles wat het heeft gedaan, onze verbeelding niet heeft kunnen bezetten. Het heeft ons niet kunnen laten ophouden met het dromen van het leven dat van ons werd gestolen. Een leven zonder kampen, zonder oorlogen, zonder breaking news, zonder dodenlijsten. Een normaal leven. En dat is voor de Palestijn altijd de grootste droom geweest.

Somoud Ghazal is geboren in het Palestijnse vluchtelingenkamp Bourj al-Barajneh in Zuid-Beiroet. Tegenwoordig woont ze in de wijk Achrafiyeh. Ghazal heeft drie kinderen en werkt als journalist voor de pan-Arabische krant en nieuwssite Al-Araby al-Jadeed (de Nieuwe Arabier). Samen met haar moeder schrijft ze toneelstukken en doet ze aan storytelling.

© 2007 - 2026 The Rights Forum