De reactie van minister Berendsen op de Amerikaans-Israëlische aanval op Iran maakt duidelijk dat de ‘taal van de macht’ voor het kabinet zwaarder weegt dan het verdedigen van het internationaal recht.

‘Nederland heeft de verantwoordelijkheid om het internationaal recht actief te bevorderen.’ Die zin staat in het coalitieakkoord van het op 23 februari aangetreden kabinet-Jetten.
‘Internationaal recht is niet het enige kader dat je op deze situatie kunt plakken’. Zo reageerde minister van Buitenlandse Zaken Tom Berendsen (CDA) op 2 maart op de Amerikaans-Israëlische aanval op Iran.
Het heeft slechts een week geduurd voordat het kabinet van premier Rob Jetten (D66) in de knel kwam met het internationaal recht. Twee bondgenoten, de VS en Israël, vielen zaterdag Iran aan, een soeverein land, en liquideerden het staatshoofd.
Zoals Marieke de Hoon, hoofddocent internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam, in NRC onomwonden stelde: dit mag niet onder internationaal recht. Geweld mag alleen als het is geautoriseerd door de Veiligheidsraad of in reactie op een aanval of onmiddelijk dreiging daarvan. Dat was hier ‘heel duidelijk’ niet het geval, aldus De Hoon.
We mogen aannemen dat de juridisch adviseurs van Berendsen dat ook weten. Het bevorderen – of het ‘verdedigen’ zoals het elders in het coalitieakkoord heet – van het internationaal recht zou moeten leiden tot veroordeling van de aanval op Iran.
Maar daar is de relatie met de VS en Israël het kabinet blijkbaar te dierbaar voor. In Nieuwsuur stelde Berendsen dat hij ‘begrip’ had voor de aanval op Iran en hij deze niet veroordeelde, met als onderbouwing dat het regime in Iran ‘moorddadig’ is.
Zowel bij Nieuwsuur als in andere media vroegen journalisten door: vindt de minister de aanval een schending van het internationaal recht, ongeacht hoe moorddadig het regime in Iran ook is?
Berendsen laveerde. Hij noemde dit ‘terechte vragen’, maar vond het niet aan hem om ze te beoordelen. Hij hield vol dat het kabinet voor de internationale rechtsorde staat, maar voegde eraan toe ‘dat het internationaal recht niet het enige kader is dat je op deze situatie kunt leggen.’ Het is volgens Berendsen geen ‘zwart-witsituatie’.
Welk ander kader hanteert de minister dan nog meer? Berendsen noemde opnieuw de moorddadigheid van het Iraanse regime waar een ‘dreiging van uit gaat’. Maar als dat het kader is, mogen ook veel andere landen worden aanvallen.
Want Iran is niet het enige moorddadige regime. Ook bondgenoten van Nederland gaan niet vrijuit, leert alleen al een blik op de genocide in Gaza en op de Israëlische martelkampen. Zonder het te beseffen opent Berendsens kader de deur voor een eenzijdige aanval op Israël. Of gelden er dan andere regels?
Maar zo zal Berendsen zijn kader en de zwart-wit-situatie niet bedoelen. Het kader waar hij wél op doelt is dat van ongebreidelde machtspolitiek. Dat valt af te leiden uit het coalitieakkoord, dat stelt:
We leven in een multipolaire wereld waarin het internationaal recht niet vanzelfsprekend prevaleert. Dat vraagt om een opstelling als land dat het internationaal recht verdedigt, maar ook de taal van macht leert spreken.
Dat klinkt gebalanceerd en verstandig – Berendsen noemde het ‘realistisch’ –, maar de aanval op Iran laat zien dat deze zaken onverenigbaar zijn. Onder internationaal recht mag de aanval op Iran niet. Maar de taal van de macht dicteert de aanval te steunen, omdat het een bondgenoot – tevens het machtigste land ter wereld – is die hem uitvoert.
Los van de aanval op Iran heeft de Amerikaanse bondgenoot laten zien weinig op te hebben met het internationaal recht. De VS steunde de genocide in Gaza, ontvoerde de president van Venezuela, Nicolas Maduro, en legde sancties op aan medewerkers van het Internationaal Strafhof omdat het Israëlische bewindslieden wil vervolgen.
Kortom, het onderhouden van de relatie met de VS en het verdedigen van het internationaal recht zijn regelrecht met elkaar in strijd.
Een week na het aantreden van het kabinet-Jetten helt het in de balans tussen recht en macht over naar het laatste. Hoe pijnlijk dat is, blijkt uit het feit dat ‘het bevorderen van het internationaal recht’ niet alleen in het coalitieakkoord staat, maar ook in de grondwet.
En het is pijnlijk omdat ook de doelstelling van de coalitie om de ‘straffeloosheid in Gaza tegen te gaan’ naar alle waarschijnlijkheid zal moeten buigen voor ‘de taal van de macht’. Het behoeft geen uitleg dat die macht niet bij de Palestijnen ligt.
De premier van Spanje, Pedro Sanchez, liet zien hoe de reactie van een NAVO-lid mét respect voor het internationaal recht op de aanval op Iran er uit hoort te zien:
Het is mogelijk om tegen een haatdragend regime te zijn en tegelijkertijd tegen een ongerechtvaardigde en gevaarlijke militaire interventie.Ik roep nogmaals op tot onmiddellijke de-escalatie, respect voor het internationaal recht en hervatting van de dialoog. Spanje zal erbij zijn. En Europa moet er ook bij zijn.’
Sanchez’ boodschap aan het kabinet: het kan wél.