Gerard Jonkman is directeur van The Rights Forum.
30 april 2026 Lees meer overHet CDA stelt voorwaarden aan een erkenning van Palestina. Maar het ‘eerlijke verhaal’ van CDA-leider Bontenbal negeert de Israëlische bezetting en de gevolgen daarvan, en legt alle eisen bij de Palestijnen.

Op het eerste gezicht lijken de zes voorwaarden die het CDA stelt voordat zij tot de erkenning van Palestina wil overgaan voor sommigen misschien redelijk. Institutionele versterking, uitsluiting van terrorisme, erkenning van Israël, democratische hervormingen, aanpak van corruptie en religieus extremisme en, tenslotte, een VN-kader. Op papier oogt het evenwichtig. Maar het ‘eerlijke verhaal’, een term die CDA-leider Bontenbal graag gebruikt, is anders. Wie de voorwaarden nader bekijkt, ziet een eenzijdig verhaal, waarin vrijwel alle eisen bij de Palestijnen worden neergelegd, terwijl de grondoorzaak – de bezetting van Palestina en de onderdrukking van de Palestijnen – buiten beeld blijft.
Dat is niet alleen politiek problematisch, maar ook juridisch onhoudbaar. Het maakt een fundamenteel recht afhankelijk van politieke voorwaarden, draait de verantwoordelijkheden van bezetter en bezette om en staat op gespannen voet met de plicht om illegale situaties niet te erkennen of te ondersteunen.
Allereerst de oproep tot ‘institutionele versterking’ van de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever. Op zichzelf is dat een legitiem doel. Maar het wordt hier gepresenteerd alsof het falen van Palestijnse instituties een probleem is dat op zichzelf staat. Dat is het niet. Palestijnse instituties opereren onder een decennialange militaire bezetting, worden systematisch ondermijnd en zijn herhaaldelijk doelwit van Israëlisch geweld.
Leiders worden gedood, bestuurlijke instellingen ontmanteld, infrastructuur vernietigd. In de Gazastrook is vrijwel de gehele civiele infrastructuur door Israël verwoest. Op de Westelijke Jordaanoever worden bestuurlijke en maatschappelijke instellingen voortdurend onder druk gezet door Israëlische militaire operaties en kolonistengeweld. Hele gemeenschappen worden verdreven.
Maar de impact van de bezetting gaat verder dan institutionele verzwakking alleen. Volgens een recent rapport van VN-organisatie UNCTAD heeft de Israëlische bezetting tussen 2000 en 2024 geleid tot een cumulatief verlies van ruim 212 miljard dollar aan potentiële economische productie. Dat is bijna twintig keer de huidige omvang van de Palestijnse economie
Tegelijkertijd ontwikkelde zich in het bezette gebied in dezelfde periode een Israëlische nederzettingeneconomie ter waarde van honderden miljarden dollars, in 2024 alleen al was die bijna vijf keer zo groot als de gehele Palestijnse economie.
De UNCTAD-analyse laat zien dat alleen al op de Westelijke Jordaanoever, waar Hamas niet de scepter zwaait, de economie zonder de bezetting tot wel 68 procent groter had kunnen zijn. Daar komen nog zaken bij als beperkingen van bewegingsvrijheid, checkpoints, landroof, controle over grondstoffen en het achterhouden van belastingopbrengsten. Dat de Palestijnse economie structureel slecht functioneert, is het gevolg van de Israëlische bezetting die de ontwikkeling ervan systematisch afremt. Wat hier wordt gepresenteerd als een probleem van ‘zwakke instituties’ is in werkelijkheid het uitvloeisel van een systeem van bezetting dat economische ontwikkeling actief verhindert.
Wie ‘institutionele versterking’ eist zonder de bezetting en de structurele economische verstikking die deze veroorzaakt aan te pakken, bestrijdt symptomen en negeert de oorzaak.
De eis om Hamas en andere terreurorganisaties van bestuur uit te sluiten, wordt gepresenteerd als vanzelfsprekend. Maar waarom geldt een dergelijke norm niet voor Israëlische politieke actoren die openlijk geweld tegen burgers ondersteunen en legitimeren?
Israëlische ministers als Ben Gvir en Smotrich hebben herhaaldelijk uitspraken gedaan die geweld tegen Palestijnen rechtvaardigen en verheerlijken. Ben Gvir is in het verleden veroordeeld voor steun aan een terroristische organisatie en deelde als minister wapens uit aan illegale kolonisten.
Als het CDA terrorisme serieus neemt, dan kan het die norm niet selectief toepassen. De definitie van terrorisme van de NCTV omvat ook het gebruik van geweld tegen burgers om politieke doelen te bereiken. Dat is precies wat het kolonistengeweld op de Westelijke Jordaanoever kenmerkt. Dit geweld vindt structureel plaats, wordt gefaciliteerd door Israëlische bezettingstroepen en leidt zelden tot nooit tot vervolging. Waarom wordt daar geen enkele voorwaarde aan verbonden?
De derde voorwaarde – de erkenning van het bestaansrecht van Israël – is een typisch voorbeeld van dubbele standaarden. Van Palestina eisen we dat het Israël erkent, maar we eisen niet dat Israël Palestina erkent. Dat terwijl de PLO Israël formeel al 33 jaar geleden heeft erkend, inclusief het recht van Israël om in vrede en veiligheid te bestaan en onder expliciete afzwering van geweld.
Sterker nog, het CDA zwijgt en weigert maatregelen te nemen wanneer de regering van Benjamin Netanyahu in haar regeringsverklaring stelt dat het gehele gebied tussen de rivier de Jordaan tot de Middellandse Zee – inclusief bezet Palestina – het exclusieve en onvervreemdbare recht van het Joodse volk is. Dat is niet alleen een ontkenning van Palestijnse zelfbeschikking, maar ook van de rechten van miljoenen niet-Joodse inwoners in datzelfde gebied.
Als erkenning een voorwaarde is, dan moet die wederkerig zijn. Zonder erkenning van Palestina door Israël blijft elke eis aan Palestijnen leeg en hypocriet.
De oproep tot democratische hervormingen en vrije verkiezingen lijkt voor de hand liggend en terecht, maar wie naar de feiten op de grond kijkt, ziet dat deze oproep los staat van de realiteit. Palestijnse verkiezingen worden structureel belemmerd, onder andere doordat Israël weigert de Palestijnen in Oost-Jeruzalem te laten deelnemen. Tegelijkertijd wordt gezwegen over de staat van de democratische rechtsstaat in Israël zelf.
De afgelopen jaren zijn daar de checks and balances ernstig onder druk komen te staan. De onafhankelijkheid van het Hooggerechtshof is onderwerp van politieke strijd. Tegelijkertijd bestaan er fundamentele verschillen in rechtssystemen: Israëlische kolonisten op de Westelijke Jordaanoever vallen onder civiel recht, Palestijnen onder militair recht.
Dat is geen “pluriforme democratische rechtsstaat”, zoals sommige Nederlandse politici nog steeds beweren, maar een juridisch gesegregeerd systeem. Het is, maar die term durft het CDA nog steeds niet in de mond te nemen, apartheid.
De vijfde voorwaarde – aanpak van corruptie en extremisme – is op zichzelf volstrekt terecht, maar opnieuw geldt deze voorwaarde uitsluitend voor de Palestijnen. Daarmee wordt op zijn minst de suggestie gewekt dat corruptie een typisch Palestijns (of misschien zelfs Arabisch) probleem is.
De Israëlische premier Netanyahu staat al jaren terecht in corruptiezaken. Tegelijkertijd maken extremistische partijen integraal deel uit van zijn regering. Beleidsmaatregelen en uitspraken van ministers dragen bij aan escalatie en legitimeren geweld.
Bestrijding van corruptie en extremisme kan niet selectief gebeuren. Die norm moet voor beide partijen gelden.
De zesde voorwaarde koppelt erkenning aan een breder vredesinitiatief en een VN-missie. Ook dit is weer eenzijdig. Israël werkt systematisch niet mee aan VN-mechanismen. VN-functionarissen, zoals de Speciaal Rapporteur Francesca Albanese, krijgen geen toegang. UNRWA wordt actief ondermijnd. Resoluties van de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering worden door Israël al tientallen jaren terzijde geschoven.
Het CDA voert inzet van de VN als voorwaarde op, maar het verbindt geen consequenties aan het structureel negeren van diezelfde VN door Israël. Het CDA gebruikt het internationaal recht daarmee niet als norm, maar als instrument. Als een instrument om Palestina niet te hoeven erkennen.
Uit deze zes voorwaarden blijkt vooringenomenheid en asymmetrie in de benadering van beide partijen. De verantwoordelijkheid wordt vrijwel volledig bij de Palestijnen gelegd, terwijl de macht en de feitelijke controle bij Israël liggen. Het CDA stelt eisen aan de onderdrukte bevolking en laat de bezetter zijn gang gaan. Wie de druk legt bij de economisch, politiek en militair zwakste partij en de sterkste ontziet, werkt niet aan een oplossing, maar aan het voortbestaan van de bezetting, de onderdrukking en de verdere uitbreiding daarvan.
Het internationaal recht is helder: een bezettende macht draagt de verantwoordelijkheid voor de bevolking onder haar controle. Zelfbeschikking is geen gunst, maar een recht. En erkenning van staten mag niet afhankelijk worden gemaakt van politieke voorwaarden die slechts aan één partij worden opgelegd.
Als het CDA werkelijk vrede en veiligheid voor iedereen wil, kan het niet volstaan met het formuleren van eisen aan de zwakste partij. Dan moet het beginnen bij het adresseren van de grondoorzaken van het probleem: de bezetting, genocide, etnische zuivering, apartheid en het systematisch schenden van het internationaal recht. En niet alleen door het benoemen ervan maar, meer nog, door het nemen van concrete maatregelen om die grondoorzaken weg te nemen.
Zonder dat blijft elke ‘voorwaarde voor erkenning’ niet meer dan een dekmantel voor het uitstellen ervan. Dat is het eerlijke verhaal.