De rechter oordeelt dat de minister 48 Palestijnen met een Nederlands visum moet ondersteunen bij hun vertrek uit de Gazastrook. Hoe dat ondersteunen er precies uitziet, mag de minister zelf bepalen.

De minister van Buitenlandse Zaken, Tom Berendsen, moet consulaire bijstand verlenen aan 48 Palestijnen met een Nederlandse verblijfsvergunning bij het verlaten van de Gazastrook. Dat oordeelde de voorzieningsrechter van de rechtbank Den Haag vorige week.
Het gaat om Palestijnen die voor studie, onderzoek of werk een Nederlands visum toegekend hebben gekregen. De vraag is hoe de minister invulling gaat geven aan de opdracht van de rechter. Hij mag dit van de rechter zelf bepalen.
De visa voor de 48 Palestijnen liggen klaar op de Nederlandse ambassade in Amman, de hoofdstad van Jordanië. Omdat Israël de grens van de Gazastrook nagenoeg volledig gesloten houdt voor personenverkeer, kunnen de Palestijnen daar zonder consulaire bijstand van het ministerie van Buitenlandse Zaken niet naar toe reizen.
In januari dit jaar weigerde het ministerie de evacuatie uit de Gazastrook van deze groep te ondersteunen. Drie van de Palestijnen in kwestie stapten vervolgens naar de rechter om daar bezwaar tegen te maken. Ze hoopten op deze manier consulaire bijstand te kunnen afdwingen.
Dat had de nodige voeten in de aarde. Een eerste uitspraak in februari was negatief. De bestuursrechter stelde dat hij niet bevoegd was om over deze zaak te oordelen, omdat deze niet onder het bestuursrecht viel.
De drie Palestijnen gingen vervolgens in hoger beroep. Omdat zo’n hoger beroep lang kan duren, vroegen ze de voorzieningsrechter een voorlopig oordeel te vellen. Dat viel wél positief uit: op 19 maart oordeelde de rechter dat de minister zich moest ‘inspannen’ om twee van hen uit de Gazastrook te krijgen.
Dit oordeel heeft de rechter nu ook overgenomen voor de 46 andere Palestijnen in kwestie. De rechtbank oordeelde dat de Palestijnen ‘een groot belang bij consulaire hulp hebben, onder meer vanwege de schrijnende situatie in Gaza’. Het afwachten van een hoger beroep vond de rechter niet gepast, omdat de kans bestaat dat de Palestijnen niet meer in staat zullen zijn de Gazastrook te verlaten tegen de tijd dat de definitieve uitspraak er is.
Daarbij vindt de rechter dat wat er van de minister gevraagd wordt een ‘relatief kleine inspanning’ betreft. Het is aan de minister zelf om te bepalen hoe invulling te geven aan het verlenen van consulaire bijstand.
Op een vraag van The Rights Forum gaf het ministerie niet meer informatie dan dat het ‘zich via diplomatieke weg zal inspannen om ervoor te zorgen dat de 46 Palestijnen de Gazastrook kunnen verlaten’. Dit kan veel verschillende dingen betekenen.
In het uiterste geval zou minister Berendsen zijn Israëlische collega kunnen bellen en aandringen op het uitreizen van de Palestijnen. Maar wat ook kan, en wat volgens ingewijden waarschijnlijker is, is dat het Nederlandse ministerie een diplomatieke brief stuurt naar de Israëlische autoriteiten, een zogeheten note verbale. Zo’n brief kan Israël zonder verdere gevolgen negeren.
De vraag blijft wat de Palestijnen concreet aan de uitspraak van de rechter gaan hebben. De woorden van minister Berendsen zelf zijn geen goede voorbode. In reactie op Kamervragen van VVD-Kamerleden Nicole Maes en Ulysse Ellian in april zei hij het niet eens te zijn met het oordeel van de rechter, ‘noch in vorm noch inhoudelijk’, maar dat hij de opdracht van de rechter ‘uiteraard’ wel zou uitvoeren.
Een woordvoerder van Buitenlandse Zaken wil desgevraagd niets zeggen over de invulling van de diplomatieke inspanning van minister Berendsen.