Itai Bar is Midden-Oosten-deskundige en reisleider.
25 augustus 2026 Lees meer overEddo Verdoner was vicevoorzitter van het CIDI, voordat hij in 2021 werd aangesteld als eerste Nationale Coördinator Antisemitismebestrijding. Uit zijn functioneren blijkt dat hij nog altijd, net als bij het CIDI, de Israëlische belangen dient. Daarmee doet hij de Nederlandse samenleving geen dienst.

Het was een scherp en accuraat commentaar op de situatie in Israël, vorige week in de Volkskrant door cartoonist Peter de Wit. Hij tekende vijf figuren die de diversiteit van de Israëlische samenleving laten zien, en stelt aan de kaak dat er ondanks de verschillen brede steun bestaat voor misdadig beleid tegen de Palestijnen. Een feit dat uit vele recente opiniepeilingen blijkt.
De Nationale Coördinator Antisemitismebestrijding (NCAB), Eddo Verdoner, zag het anders. Hij sprak de Volkskrant aan op het ‘gebruik van antisemitische beeldtaal,’ niet vanwege de hele tekening, maar vanwege het figuur met een zwarte hoed, baard en pijpenkrullen die zegt dat God aan zijn kant staat. Volgens Verdoner is dit beeldtaal die veel ouder is dan de staat Israël, en waarin het Jodendom zelf wordt voorgesteld als bron van wreedheid.
Het is echter de NCAB zelf die het stereotype oproept door dit ene beeld uit de context te halen en vrij te interpreteren. Ultraorthodoxe joden zijn mensen van vlees en bloed. De Wit benadrukt dat door de ultraorthodoxe figuur net als de andere figuren in de door hem bekende stijl af te beelden. Verdoner ontmenselijkt de ultraorthodoxe jood door alleen op deze figuur de nadruk te leggen.
Twee van de vijf figuren op de tekening van de Wit hebben pijpenkrullen en een keppeltje. Een is te herkennen als nationalistisch religieus, de ander als ultraorthodox. Deze groepen zijn duidelijk aanwezig in de Israëlische maatschappij en zijn vaak herkenbaar aan hun uiterlijke kenmerken, een gegeven waar ook cartoonisten in Israël gebruik van maken.
Dat de Israëlische staat en Israëlische politieke groeperingen een claim op het Jodendom leggen, straalt negatief af op Joodse personen en gemeenschappen wereldwijd. De Israëlische burgers die zich illegaal in de nederzettingen in bezet Palestijns gebied vestigen en daar aan de etnische zuivering van Palestijnen bijdragen, dragen nu eenmaal vaak keppeltjes. De ultraorthodoxe politici die deel uitmaken van het kabinet dat verantwoordelijk is voor de genocide in de Gazastrook, tooien zich nu eenmaal in zwarte hoeden, zwarte pakken en claimen dat God aan hun kant staat. De politieke toe-eigening van het Jodendom is het probleem, niet de commentator die dit waarneemt.
Dat de rake tekening van De Wit tot ongefundeerde beschuldigingen van antisemitisme door pro-Israël groepen leiden, verrast niet. Twee weken geleden vond de Israëlische ambassadeur in Nederland een andere cartoon van De Wit antisemitisch, een uitleg die uitgaande van de IHRA-definitie die in Israël bij wet is vastgelegd, zelf antisemitisch is. En ook Frans Timmermans kreeg verwijten naar aanleiding van een relevante vergelijking die hij maakte tussen het huidige Israël en nazi-Duitsland.
De inzet van vermeend antisemitisme als politiek wapen door de ambassadeur uit Israël ligt in lijn met het regeringsbeleid dat hij vertegenwoordigt. Zoals onder andere uit de jaarlijkse wereldwijde antisemitisme-monitor van de universiteit van Tel Aviv blijkt, rekken Israëlische gezagsdragers het begrip dusdanig op, dat de term betekenis verliest. Dit Israëlische beleid berokkent volgens de onderzoekers schade aan de strijd tegen Jodenhaat.
De Nederlandse samenleving mag van de staat verwachten dat die de joodse gemeenschappen in Nederland tegen Jodenhaat beschermt. Niet alleen door de Israëlische ambassadeur aan te spreken op zijn ongegronde aantijgingen en pogingen tot persbreidel, maar ook door Nederlandse organisaties en personen die op soortgelijke wijze de Israëlische belangen dienen aan te spreken en zo nodig aan te pakken.
De invloed van de Israëlische lobby op de politiek in Nederland zou, gezien de bevindingen van de universiteit van Tel Aviv, misschien wel het eerste aandachtspunt van antisemitismebestrijding van rijkswege moeten zijn.
Met de aanstelling van Israëllobbyist Verdoner is het omgekeerde gebeurd. Vijf jaar na de oprichting van het instituut – Verdoner geeft leiding aan nog zo’n tien ambtenaren – is er nog geen officiële evaluatie van het functioneren van de NCAB geweest. Maar uit de openbare uitingen van de NCAB blijkt dat deze structureel het onderscheid tussen Israël en het Jodendom verdoezelt.
In 2023 bijvoorbeeld dienden vier mensenrechtenactivisten een klacht in bij het ministerie van Justitie en Veiligheid waaronder de NCAB valt. Verdoner had de toenmalige directeur van Human Rights Watch ten onrechte van antisemitisme beschuldigd vanwege de kritiek van deze organisatie op Israëlische mensenrechtenschendingen.
Toen eind vorig jaar het Concertgebouw in Amsterdam dreigde de officiële voorzanger in dienst van het Israëlische leger te weren vanwege de wreedheid van dat leger tegen de Palestijnen, sprak Verdoner van een ‘aantasting van de religieuze rechten van Joodse groepen in Nederland.’
Intussen is er bar weinig bekend over antisemitisme in Nederland. De NCAB gebruikt daarvoor de cijfers van het CIDI, ook een organisatie die structureel en bewust ongegronde aantijgingen van antisemitisme doet voor Israëls politieke gewin. Zonder eerlijke evaluatie en discussie kan de overheid niet weten wat de aard en omvang van het antisemitisme in Nederland zijn, laat staan wat de aanpak moet zijn.
Maar gezien de gang van zaken rond Verdoners aanstelling en zijn stellingname sindsdien, is de conclusie gerechtvaardigd dat de NCAB zich in ieder geval níet inzet voor de bescherming van Joodse groepen. En wél voor de onderdrukking van de rechten van de Palestijnen door iedere kritiek op Israël verdacht te maken. Met alle nadelige gevolgen van dien. In de eerste plaats voor de Palestijnen in Palestina. Maar niet in de laatste plaats ook voor de Joodse bevolking van Nederland.