Badee Dwaik is een Palestijnse mensenrechtenactivist en schrijver uit Al-Khalil (Hebron). Hij moest vluchten voor de Israëlische bezetter en is nu in Nederland.
30 oktober 2026 Lees meer overDe Palestijnse mensenrechtenactivist Badee Dwaik wist ternauwernood zijn woonplaats Hebron te ontvluchten. De stad kent een van de meest intense Israëlische apartheidsregels. Afgelopen weekend verwoestte Israël twee wijken van de stad, het heeft de bijna 5000 Palestijnse bewoners ervan verdreven.

Mijn vertrek uit Hebron (Al-Khalil) is een van de honderden verhalen die zich dagelijks onder Palestijnen ontvouwen. Verhalen van pijn en vernedering, maar ook van volharding en verzet, van mensen die ondanks alles blijven vasthouden aan hun plek en identiteit.
De Israëlische bezetter heeft tal van methoden ontwikkeld om ons, Palestijnen, in ons dagelijks leven systematisch te mishandelen. Israël wil onze waardigheid vermorzelen met militaire controleposten, wegversperringen, inspectiepoorten, bewegingsbeperkingen en collectieve bestraffingen. Het heeft ons dagelijks leven veranderd in een aaneenschakeling van vernederingen, wachten en angst.
Vanwege gevaar voor mijn leven moest ik Hebron en mijn land ontvluchten. Ik had Israëlische militairen gefotografeerd, terwijl die Palestijnen mishandelden en dat hadden ze gezien. Ik ben een mensenrechtenactivist, Israël heeft mij zeker twintig keer zonder enige reden vastgezet, een keer heb ik drie jaar in een gevangenis gezeten. Nu was ik ziek, ik vreesde dat ik een nieuw verblijf in een Israëlisch detentiecentrum niet zou overleven: sinds 7 oktober 2023 zijn de Israëlische detentiecentra martelcentra geworden.
Op een donderdagavond vertrok ik naar de Allenbybrug over de rivier de Jordaan, die vormt de grens tussen de Westelijke Jordaanoever en Jordanië. De toegang tot die brug wordt gecontroleerd door het Israëlische leger; dat controleert álle Palestijnse grenzen, dat mogen wij, Palestijnen, niet zelf doen.
Bij de brug is het wie het eerst komt, wie het eerst maalt, en de Israëlische militairen sluiten de grensovergang naar willekeur. De militairen gaven me een toegangsnummer, maar na ongeveer anderhalf uur wachten, sloten ze de toegang tot de brug plotseling. Ik en zo’n 1500 andere reizigers kregen te horen dat we moesten vertrekken en terugkeren naar waar we vandaan kwamen. Ook ik ging terug naar huis, ongerust over een op handen zijnde arrestatie, ziek, uitgeput en vol van de frustratie die wij, Palestijnen, ervaren telkens wanneer we ons van de ene naar de andere plek proberen te verplaatsen.
Zodra ik me iets beter voelde, ging ik enkele dagen daarna opnieuw naar de Allenbybrug, in een nieuwe poging naar Jordanië te vluchten. Ik bereikte de brug en wachtte tot het Israëlische leger die opende. Rond het middaguur, was ik aan de beurt, maar voor ik de brug kon oversteken, hadden de militairen hem al weer gesloten. Opnieuw begon een beproeving van wachten, angst en vernedering.
Dit wachten maakt deel uit van een Israëlisch systeem dat de bewegingsvrijheid van Palestijnen controleert en hun fundamentele recht om zich vrij te verplaatsen, reduceert tot een privilege dat op elk moment kan worden ingetrokken. Deze systematische mishandeling door middel van controleposten en allerlei obstakels vindt overal op de Westelijke Jordaanoever plaats. Volgens het meest recente onderzoek van het Bureau van de Verenigde Naties voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) zijn er – op basis van gegevens van afgelopen voorjaar – ongeveer 925 obstakels die de bewegingsvrijheid van Palestijnen beperken.
Een groot deel daarvan bevindt zich in de regio Hebron: de Palestinian International Organization for Peace and Human Rights (PIOPH) stelt in een van haar rapporten dat het totale aantal controleposten en obstakels daar 229 bedraagt. In de stad Hebron zelf, en met name in het gebied met de Oude Stad dat bekendstaat als H2, zijn de bewegingsbeperkingen nog veel ingrijpender en strenger. OCHA heeft alleen al in H2 101 van het totaal aantal obstakels op de Westelijke Jordaanoever geregistreerd.
H2 is een door het Israëlische leger streng gecontroleerd stadsdeel. Er wonen zo’n 700 Israëlische kolonisten te midden van 34.000 Palestijnen. Nergens op de Westelijke Jordaanoever is het Israëlische apartheidssysteem zo zichtbaar als hier, waar militaire beperkingen en controles de bewegingsvrijheid van Palestijnen en hun toegang tot hun eigen huizen, wijken en markten ingrijpend beperken.
De segregatie, onderdrukking en het structurele Israëlische geweld zijn schrijnend. De Palestijnse dagelijkse realiteit wordt gekenmerkt door een eindeloze reeks van Israëlische verboden. Het Israëlische beleid verstikt de stad en wurgt alles daar langzaam door middel van controleposten, hekken, afsluitingen, inspecties en collectieve bestraffingen.
Tegelijkertijd vallen de Israëlische kolonisten ons voortdurend aan, onder goedkeurend oog van de Israëlische militairen. Het beleid in Hebron maakt deel uit van een breder systeem van Israëlische controle, onteigening en gedwongen verdrijving, praktijken die ernstige vragen oproepen in het licht van het internationaal en humanitair recht.
Het doel van Israël is de Palestijnen uiteindelijk uit het hart van Hebron te verdrijven. Het wil H2 en de Oude Stad van Hebron veranderen in één grote nederzetting die voor de oorspronkelijke bewoners verboden is.
Kort voordat ik mijn stad ontvluchtte, bezocht ik samen met een Britse mensenrechtenactivist het dorpje Khirbet al-Dab’a, hemelsbreed amper 17 kilometer ten zuiden van Hebron. Israël had daar kort daarvoor zo’n 70 procent van de huizen gesloopt en de bewoners verdreven. Het had het plaatsje tot militaire zone verklaard – voor Palestijnen in principe verboden gebied – en de toegangswegen ertoe vrijwel allemaal afgesloten.
We deden er bijna vier uur over in de buurt van het dorp te komen, dit als gevolg van zes Israëlische controleposten en allerlei andere wegblokkades. Uiteindelijk kwamen we in de buurt van Khirbet al-Dab’a via een snelweg die Israël heeft aangelegd voor Israëlische kolonisten. We lieten mijn auto net buiten de militaire zone staan, want ik had gehoord dat het Israëlische leger drie auto’s in beslag hadden genomen van mensen die niet wisten dat het leger het dorp tot militaire zone had verklaard. We moesten vervolgens nog twintig minuten lopen om Khirbet al-Dab’a te bereiken.
Tijdens een van de workshops waaraan ik deelnam, vertelde een vrouw hoe ze op een dag probeerde terug te keren naar haar huis in H2. Bij het militaire checkpoint dat toegang geeft tot de Oude Stad wilde een soldaat haar fysiek fouilleren, waarbij duidelijk sprake was van seksuele intimidatie. Toen ze vroeg of een vrouwelijke soldaat de fouillering kon uitvoeren, hield hij vol dat hij dit zelf zou doen. De vrouw weigerde zich hieraan te onderwerpen en verliet het checkpoint. Om haar huis uiteindelijk toch te bereiken, zag ze zich genoodzaakt van het ene dak naar het andere te klimmen.
Nog een voorbeeld van Israëls straffeloosheid: Shuhadastraat was ooit de belangrijkste, levendigste en drukste winkelstraat in de Oude Stad van Hebron. Na de aanslag door de Israëlische kolonist Baruch Goldstein in 1994 in de Ibrahimi-moskee, waarbij hij 29 Palestijnen vermoordde, sloten de Israëlische autoriteiten Shuhadastraat af voor Palestijns autoverkeer en laste het Israëlische leger de luiken van alle Palestijnse winkels dicht. Na het uitbreken van de Tweede Intifada in 2000 scherpte Israël onze bewegingsvrijheid verder aan: sindsdien mag ik als Palestijn niet meer door Shuhadastraat lopen, de straat ligt op enkele minuten van mijn huis.
Deze drie voorbeelden tonen aan dat Israël zijn checkpoints en controles gebruikt om Palestijnen te vernederen, hun leven te ontwrichten en te voorkomen dat ze hun werk, school, ziekenhuis, huis of familieleden kunnen bereiken. Bij en rond de vele controleposten zijn tientallen Palestijnen door Israëlische militairen of kolonisten vermoord.
Een van de voor mij meest onvergetelijke gebeurtenissen in Hebron was de moord op Abd al-Fattah al-Sharif in de wijk Tel Rumeida in H2 in 2016. Ik had camera’s uit de Verenigde Staten meegenomen, gefinancierd door donateurs, als onderdeel van een project om de bezetting vast te leggen.
Het idee was Palestijnse gezinnen die direct en intens contact hadden met militairen en Israëlische kolonisten te trainen om de schendingen die zij ervoeren, vast te leggen. Journalisten kunnen niet in elke straat, in elk huis en op elk moment aanwezig zijn. Ze kunnen er niet altijd bij zijn wanneer een aanval of mensenrechtenschending plaatsvindt. Het doel was Palestijnen een middel te geven voor documentatie, zodat zij konden bewijzen wat in hun dagelijks leven gebeurt.
We trainden ook een aantal scholieren in documentatie- en fotografievaardigheden, veiligheidsprocedures en de juridische aspecten van filmen en documentatie. De basisregel die ik steeds herhaalde, was: ‘Leg niets vast als je leven in gevaar komt, want niemand zal zien wat je vastlegt als je niet veilig bent.’
Ik gaf een van de activisten een camera die ik voor het project had meegenomen. Later legde die de moord op Abed al-Fattah al-Sharif vast. Al-Sharif lag gewond en roerloos op de grond toen een Israëlische soldaat hem van dichtbij neerschoot. Foto’s en video’s van dat misdrijf werden historisch bewijsmateriaal. Ze trokken wereldwijd de aandacht, de BBC maakte een documentaire over deze zaak.
Hieruit blijkt het belang van documentatie: Palestijnen kunnen rechtstreeks vastleggen wat Israëlische militairen of kolonisten aanrichten. De militair die Abd al-Fattah al-Sharif van dichtbij doodschoot, zat negen maanden in de gevangenis en werd toen vrijgelaten. In september dit jaar gaf de Israëlische president Herzog hem amnestie.
In mei richtte de Israëlische bezettingsmacht een permanente militaire controlepost in bij het oude gemeentehuis van Hebron, aan de ingang van de Oude Stad. Deze controlepost past binnen een breder, voortgaand proces waarbij de omgeving steeds verder wordt heringericht en de toegang tot de stad strenger wordt gecontroleerd. Eind augustus van dit jaar namen Israëlische kolonisten bovendien een stuk land in beslag langs de straat die de Oude Stad met het stadscentrum verbindt en doorloopt tot Bab al-Zawiya, een controlepost op de grens tussen H2 en de rest van Hebron.
De nieuwe controlepost lijkt erop gericht de belangrijkste toegang tot de markt te blokkeren. Dit zou de isolatie van de Oude Stad verder versterken en de bewegingsvrijheid van bewoners en de toegang van winkeliers tot hun handelsgebied nog verder beperken.
Abu al-Nour, een van de winkeliers in de Oude Stad, vertelde me dat de situatie in zijn buurt met de dag verslechtert, de handel ligt vrijwel stil. Er zijn geen kopers en van een normaal leven is geen sprake door alle militaire controleposten, intimidatie door het leger en de aanvallen van Israëlische kolonisten – die vooral op zaterdag plaatsvinden onder bescherming van het bezettingsleger.
Toch blijft Abu al-Nour zijn winkel openen. Niet vanwege de schaarse inkomsten, maar omdat hij wil dat bezoekers aan de Oude Stad ervaren dat er nog altijd mensen wonen en werken, en dat de plek niet volledig is uitgestorven. Volgens hem geeft de aanwezigheid van winkeliers in de straten bezoekers een gevoel van menselijk contact en verbondenheid. Dat staat in schril contrast met het gevoel dat de bezetting oproept: alsof de Oude Stad in een spookstad is veranderd.
Soldaten dwingen winkeliers geregeld hun zaken te sluiten, waardoor de straten verder leeglopen en het dagelijks leven nog moeilijker wordt. De Oude Stad van Hebron is verworden tot een plek waar het leven voor de Palestijnse bevolking steeds ondraaglijker wordt, terwijl de situatie nauwelijks aandacht lijkt te krijgen. De vele mensenrechten schendingen vinden openlijk plaats, in het zicht van iedereen, terwijl de daders door soldaten worden beschermd en afgeschermd van de gevolgen van hun handelen.
Naar mijn mening is er geen wezenlijk verschil tussen de Israëlische kolonisten – die door de bezettende staat wettelijk als burgers worden aangemerkt – en de soldaten in uniform. Beiden maken deel uit van het bezettingssysteem. De een draagt een wapen in uniform, de ander zonder uniform.
Het is duidelijk dat in de door Israël bezette gebieden sprake is van apartheid: Palestijnen vallen onder militair recht, terwijl Israëlische kolonisten onder het civiele rechtssysteem vallen. Terwijl deze ongelijke rechtsorde voortduurt, gaat de uitbreiding van nederzettingen onverminderd door. Zo hebben Israëlische kolonisten onder bescherming van het bezettingsleger drie nieuwe stacaravans aangevoerd om de illegale buitenpost uit te breiden die ongeveer een jaar geleden in Hebron werd opgezet.
Deze buitenpost ligt op slechts drie minuten lopen van mijn huis. Die korte afstand maakt pijnlijk duidelijk hoe dicht het Palestijnse leven dat ik probeer te beschermen, zich bevindt bij een nederzettingsproject dat steeds meer land om ons heen dreigt in te nemen.
Wat in Hebron gebeurt, kan dan ook niet worden teruggebracht tot afzonderlijke controleposten, afsluitingen of aanvallen door Israëlische kolonisten. Het maakt deel uit van een veelomvattend systeem van collectieve bestraffing, apartheid, militaire controle, uitbreiding van nederzettingen, landinbeslagname en bewegingsbeperkingen, dat de leefruimte van Palestijnen steeds verder inperkt en hen uiteindelijk uit het gebied verdrijft.
De vraag is dus niet alleen hoe Palestijnen onder bezetting leven, maar ook hoe zij stap voor stap worden gedwongen de plaatsen waar zij wonen te verlaten. Het gaat om een beleid dat veel verder reikt dan de dagelijkse bestraffing van de Palestijnse bevolking. Het is gericht op het hertekenen van de geografische en demografische structuur van Hebron, op het omvormen van het historische stadscentrum tot een nederzettingsgebied en op het verdrijven van Palestijnen van hun land, met alle mogelijke middelen en beleidsmaatregelen.
Uiteindelijk wist ik de Allenbybrug over te steken en kwam ik in Jordanië terecht. Vanuit daar ben ik naar Nederland gegaan. Naar Hebron en mijn geboorteland ben ik niet meer teruggekeerd.