Gerard Jonkman is directeur van The Rights Forum.
16 september 2026 Lees meer overElk jaar, rond half september, denkt The Rights Forum directeur Gerard Jonkman aan de massamoorden in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila in de Libanese hoofdstad Beirut. Die gruwelijke herinnering uit 1982 speelt zich nu opnieuw in de Gazastrook voor onze ogen af.

Elk jaar rond half september zie ik in mijn gedachten weer een jongetje van zes door Sabra street rennen: Wissam, op de vlucht voor massamoordenaars.
En elk jaar rond diezelfde tijd denk ik aan de medewerkers en vrijwilligers van de Palestijnse Rode Halve Maan die tijdens het bloedbad van Sabra en Shatila werden vermoord, terwijl ze het leven van anderen probeerden te redden. Ik denk aan alle onschuldige burgers die bij dat bloedbad zijn afgeslacht.
Shatila was jarenlang onderdeel van mijn dagelijkse omgeving in Beiroet. Dit Palestijnse vluchtelingenkamp lag tegenover mijn kantoor in het gebouw van de Palestijnse Rode Halve Maan, de PRCS, waar ik werkte. Een wirwar van smalle steegjes, winkeltjes, huizen die in de loop der jaren steeds verder de hoogte in waren gebouwd, elektriciteitsdraden die als spinnenwebben tussen de gebouwen hingen. Een kamp met talloze verhalen van mensen die uit Palestina waren verdreven en vervolgens opnieuw met oorlog en geweld te maken kregen.
Eén van die verhalen is dat van mijn vriend Wissam. Op een dag liepen we samen door Shatila. Hij vertelde mij wat hem daar als zesjarig jongetje was overkomen.
Het was september 1982. Enkele weken daarvoor waren de strijders van de PLO uit Beiroet geëvacueerd. De Verenigde Staten en andere landen hadden garanties gegeven voor de veiligheid van de Palestijnse vluchtelingen die achterbleven en op 1 september was de evacuatie voltooid. De internationale troepenmacht die daarop toezicht had gehouden, vertrok daarna uit Beiroet. Veertien dagen later bleek wat die internationale garanties waard waren.
Op 14 september 1982 werd de pas gekozen Libanese president Bachir Gemayel bij een bomaanslag gedood. De Palestijnen in Libanon kregen vrijwel onmiddellijk de schuld van de aanslag. Dat bleek achteraf onjuist. Maar bij de Falangisten, van wie Gemayel de leider was geweest, was de roep om wraak niet meer te stuiten.
Nadat de Palestijnse strijders begin september waren geëvacueerd, leefden in Sabra en Shatila voornamelijk weerloze burgers. Palestijnen, maar ook arme Libanezen en mensen van andere nationaliteiten. Op 16 september liet het Israëlische leger milities van de Falangisten de kampen binnengaan. Israëlische tanks omsingelden het gebied en Israëlische militairen controleerden de toegangswegen. ’s Nachts vuurden Israëlische militairen lichtkogels af die het kamp verlichtten, terwijl de Falangisten er hun moorddadige werk uitvoerden.
Wissams moeder was in de chaos van de burgeroorlog vermist geraakt. Zijn vader had hem, zijn zevenjarige zus en een jonger zusje ondergebracht bij een Libanese familie in Sabra. Wissam vertelde mij jaren later dat de Falangisten de boodschap verspreidden dat Libanezen die Palestijnen beschermden of zich in hun nabijheid bevonden, hetzelfde lot zouden ondergaan als de Palestijnen.
De Libanese familie bij wie Wissam en zijn zusjes verbleven, werd doodsbang en stuurde hen weg. Drie kleine kinderen werden de straat opgestuurd. Alleen, temidden van een massamoord. Wissam herinnerde zich hoe ze door Sabra Street renden, naar het zuiden, richting de weg die tegenwoordig van de Airport Bridge naar de Koeweitse ambassade loopt. Om hen heen werden mensen in koelen bloede vermoord.
De Singaporese chirurg Ang Swee Chai werkte op dat moment in het Gaza Hospital van de PRCS, dat midden in het gebied lag. In haar boek From Beirut to Jerusalem beschrijft zij hoe gewonden voortdurend werden binnengebracht, terwijl buiten het geluid klonk van mitrailleurs en van explosies. Zij opereerde onder andere een elfjarige jongen die zich dood had gehouden tussen de lichamen van zijn 27 vermoorde familieleden.
Toen Ang samen met andere buitenlandse medische medewerkers op de ochtend van 18 september uit het ziekenhuis werd gehaald, werd ook zij over Sabra Street geleid. Zij zag, net als Wissam, de stapels lichamen langs de weg. Vrouwen en kinderen waren bijeengedreven. Een Palestijnse medewerker van de PRCS die met buitenlandse medici meeliep, werd herkend, afgevoerd en gedood. Patiënten en PRCS-personeel uit Gaza Hospital werden naar buiten gedreven en afgevoerd, terwijl Israëlische eenheden rond het gebied stonden.
En daartussen renden drie kleine kinderen voor hun leven.
Toen Wissam en zijn zusjes het einde van het kamp bereikten, stonden daar Israëlische militairen. Zij wilden hem en zijn zusjes meenemen. Maar toen gebeurde iets bijzonders. Een ambulancemedewerker van het Libanese Rode Kruis kwam tussenbeide. Hij vertelde de Israëlische militairen dat dit kinderen waren en dat het zijn humanitaire taak was die kinderen te beschermen. Hij kreeg ze, na een lange woordenwisseling, mee.
Via het Rode Kruis werden Wissam en zijn zussen naar veiliger gebied gebracht. Ze leefden, maar niemand was daarvan op de hoogte, ze hadden alle contact met familie en bekenden verloren. Jarenlang stond Wissams naam op lijsten van slachtoffers van Sabra en Shatila, iedereen ging ervan uit dat ook hij was vermoord.
Jaren later stond ik samen met Wissam bij het massagraf. Het ligt er nog steeds, verscholen achter de marktkramen van Sabra Street: een open, stoffig veld waaraan je zonder te weten wat het, is zo voorbij zou lopen. Honderden slachtoffers werden daar na het bloedbad begraven. Aan het einde staat een eenvoudig gedenkteken.
Elk jaar half september denk ik ook aan mijn collega’s van de Palestine Red Crescent Society. Voor verschillende collega’s met wie ik daar jaren later werkte, was Sabra en Shatila geen verhaal van horen zeggen. Zij hadden het bloedbad zelf meegemaakt en droegen die herinneringen nog altijd met zich mee.
Ook in Akka Hospital, aan de rand van Shatila waar zich jaren later, van 2006 tot en met 2016, mijn kantoor zou bevinden, werden tijdens het bloedbad PRCS-medewerkers weggevoerd en vermoord. Onder hen waren de Palestijnse artsen Ali Othman en Sami al-Khatib.
De Noorse vrijwilligster Anne Sunde vertelde later hoe Al-Khatib, nadat hij uit het ziekenhuis was gehaald, vroeg hem terug te laten gaan. Hij was de enige kinderarts en in het ziekenhuis lagen zieke kinderen die hem nodig hadden. Hij mocht niet terug. Volgens getuigen werd hij later bij de Sports City gezien; één van hen verklaarde dat hij zwaar was gemarteld voordat hij werd vermoord. Zijn lichaam is nooit teruggevonden.
Meer dan veertig jaar later klinkt het verhaal van Sami al-Khatib huiveringwekkend vertrouwd. Ook in de Gazastrook bleven artsen bij hun patiënten, terwijl ziekenhuizen werden belegerd, aangevallen en ontruimd. Een van hen is dr. Hussam Abu Safiya, kinderarts en directeur van Kamal Adwan Hospital in het noorden van de Gazastrook.
Hij bleef het ziekenhuis draaiende houden, terwijl het nauwelijks nog beschikking had over medicijnen en brandstof en herhaaldelijk werd aangevallen. Toen het Israëlische leger zijn ziekenhuis ontruimde, werd Abu Safiya gearresteerd. Hij zit nog altijd zonder aanklacht of proces gevangen en is ernstig mishandeld en gemarteld.
De omstandigheden zijn niet dezelfde en de geschiedenis herhaalt zich nooit exact. Maar de gelijkenis is helder: artsen die midden in oorlog en massaal geweld weigeren hun patiënten achter te laten, en daarvoor zelf een hoge prijs betalen.
Ook de verantwoordelijkheid voor Sabra en Shatila is helder. De mensen die het grootste deel van de moorden uitvoerden, waren leden van Libanese milities, met name de Falangisten. Maar het gebied stond onder Israëlische militaire controle. Israël liet de Falangisten de kampen binnengaan, omsingelde het gebied en faciliteerde hun operatie.
Dit was geen natuurramp die niemand had kunnen voorzien. De Palestijnse strijders waren vertrokken, nadat internationale garanties voor de achterblijvende burgerbevolking waren gegeven. De Verenigde Staten hadden zich expliciet garant gesteld voor hun veiligheid. Twee weken later lagen hun vrouwen, kinderen en ouders dood in de straten.
Meer dan veertig jaar later is er nog altijd nauwelijks verantwoording afgelegd.
Voor mij is Sabra en Shatila geen abstract verhaal. Ik denk aan Wissam. Een jongetje van zes dat met zijn zusjes door Sabra Street rent terwijl om hem heen mensen worden vermoord. Ik zie het stoffige veld dat een massagraf is. Ik denk aan de collega’s met wie ik later koffie dronk en vergaderde. Collega’s aan wie niemand kon zien wat zij in september 1982 hadden meegemaakt.
Ang Swee Chai schrijft dat wie een bloedbad overleeft, ook getuige wordt. De doden kunnen niet meer spreken, de levenden wel. En dus moeten we hun verhalen blijven vertellen.
En misschien is dat waarom Sabra en Shatila dit jaar nog dichterbij komen. Omdat wat wij ons herinneren als een gruwel uit 1982, in de Gazastrook opnieuw voor onze ogen gebeurt.