Nederland laat zich niets gelegen liggen aan adviezen van de eigen Dienst Juridische Zaken als het gaat om de genocide die Israël pleegt op de Palestijnen in de Gazastrook. Dat blijkt opnieuw uit documenten die middels een Woo-verzoek zijn vrijgegeven.

Ministers van Buitenlandse Zaken legden dringende adviezen van hun juristen naast zich neer om Nederland te laten ‘interveniëren’ in de genocidezaak die Zuid-Afrika tegen Israël aanspande. Dat onthult journalist en historica Tineke Bennema in een stuk voor De Kanttekening. Het wegwuiven van juridisch advies past in een patroon van een gebrek aan respect voor het Internationaal Gerechtshof en het belang van het internationaal recht.
Bennema deed een beroep op de Wet open overheid (Woo). Dat deed ze, zo schrijft ze op haar LinkedIn-pagina, omdat het kabinet-Jetten in maart dit jaar binnen zestien dagen na aantreden intervenieerde in de zaak van Zuid-Afrika tegen Israël. Ze schrijft: ‘Het was onmogelijk dat het kabinet de interventie in die korte tijd had kunnen voorbereiden, dus dacht ik dat er misschien al een conceptverklaring lag. En dat zou betekenen dat vorige ministers van Buitenlandse Zaken een juridisch advies verwierpen.’
Dat bleek het geval. De Dienst Juridische Zaken adviseerde (demissionair) minister Ruben Brekelmans (VVD) op 26 augustus 2025 om ‘zo spoedig mogelijk’ te interveniëren en die interventie in een Kamerdebat op 10 september aan te kondigen. Brekelmans had net vier dagen eerder de afgetreden minister Caspar Veldkamp (NSC) opgevolgd. Die zegde de Tweede Kamer op 22 augustus, de dag van zijn aftreden, toe zich verder te verdiepen in de mogelijkheid dat Nederland intervenieert in de zaak en daarover aan de Kamer terug te koppelen. Brekelmans kondigde de interventie op 10 september niet aan.
Bennema schrijft daarover: ‘Opvallend is dat in de Woo-openbaarmaking geen enkel zelfstandig document uit Veldkamps ministerschap van 2 juli 2024 tot 22 augustus 2025 is vrijgegeven.’ Dat is opmerkelijk, onder andere omdat de kwestie óók al op het bordje van zíjn voorganger lag, minister Hanke Bruins Slot (CDA) uit het kabinet Rutte IV. Zij was minister toen Zuid-Afrika de genocidezaak tegen Israël bij het Internationaal Gerechtshof (IGH) indiende, op 29 december 2023, krap drie maanden na aanvang van de genocide in de Gazastrook.
Op het moment dat het IGH bekend maakte dat het zich bevoegd achtte de zaak inhoudelijk te gaan beoordelen, op 26 januari 2024, nodigde het landen die partij zijn bij het Genocideverdrag uit om een verklaring van interventie in te dienen. Met zo’n verklaring schaart een land zich niet achter één van de twee partijen in de zaak, maar geeft het aan welke bepalingen in het Genocideverdrag het in de uiteindelijke interventie aan bod wil laten komen. (Op 26 januari 2024 oordeelde het IGH ook dat Israël alles in het werk moest stellen om een dreigende genocide in de Gazastrook te voorkomen, én dat derde landen verplicht zijn Israël te bewegen zich aan dat oordeel te houden.)
Bruins Slot vond dat Nederland ‘als gastheer van het Hof een neutrale positie paste’, zei ze in een Kamerdebat. Dat is een wonderlijke stellingname: het getuigt juist van neutraliteit om de verklaring tot interventie wél in te dienen, omdat je daarmee als land zegt dat je de (latere) inhoudelijke behandeling van de zaak van groot belang vindt én dat je je zult binden aan de uitkomst ervan. Met andere woorden: met een snelle verklaring van interventie had Nederland kunnen laten zien dat het het Internationaal Gerechtshof ten diepste respecteerde en het Genocideverdrag en de interpretatie ervan door dat Hof uiterst belangrijk vindt.
Ook dat Bruins Slot wilde wachten met het leveren van een inbreng tot nádat beide partijen hun juridische stukken hadden aangeleverd, is opmerkelijk. De procedure is dat landen éérst hun verklaring van interventie indienen, en pas later, als Zuid-Afrika en Israël hun juridische inbreng hebben geleverd, een inhoudelijke visie aanleveren. Die inhoudelijke visie draait níet om de vraag of Israël genocide pleegt, maar om de vraag hoe Nederland vindt dat het IGH de bepalingen uit het Genocideverdrag zou moeten interpreteren.
Tussen de achttien pagina’s documenten die Bennema kreeg toegestuurd, zitten geen stukken uit de periodes van de ministerschappen van Bruins Slot en Caspar Veldkamp, hoewel die wel waren opgevraagd. Het is duidelijk dat die documenten er wel degelijk zijn, omdat ernaar verwezen wordt en het een belangrijk politiek thema was. Naar de juridische adviezen van de Dienst Justitiële Zaken (DJZ) van vóór augustus 2025 blijft het gissen. Maar het is kraakhelder dat achtereenvolgende ministers de uitnodiging van het IGH voor zich uit hebben geschoven en daarbij meerdere klemmende adviezen van DJZ hebben genegeerd.
Uiteindelijk diende minister Brekelmans de verklaring van interventie in op 11 maart dit jaar, één dag voor de deadline. Het IGH moet Nederland, en andere interveniërende landen, eerst formeel accepteren als ‘interveniënt’ alvorens de daadwerkelijke interventie kan worden ingediend. Wanneer die stap in de procedure wordt genomen, is niet bekend.
Het door opeenvolgende Nederlandse bewindslieden negeren van juridisch advies als het gaat over Israëls genocide op de Palestijnen in de Gazastrook, is een patroon. Eerder al waarschuwde DJZ ervoor dat Nederland inbreuk maakte op het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk door de handel met illegale nederzettingen op de bezette Westelijke Jordaanoever niet te verbieden, maar slechts te ‘ontmoedigen’. Die waarschuwingen werden genegeerd en bereikten voor zover bekend ook de Tweede Kamer niet. Dat bleek uit een Woo-verzoek van The Rights Forum en SOMO, waarover we hier publiceerden.
Ook een DJZ-waarschuwing over de levering van onderdelen van F-35-gevechtsvliegtuigen aan Israël werd in de wind geslagen, zo berichtte NRC op 7 november 2023, een maand nadat de genocide begon. Juristen op het ministerie van Buitenlandse Zaken stelden dat met die onderdelen in de Gazastrook mogelijk ‘ernstige schendingen van het humanitair oorlogsrecht worden begaan’. Maar de ambtelijke top besliste dat de leveringen moesten doorgaan, dit uit angst voor ‘grote schade aan de relatie met zowel Israël als de Verenigde Staten’.
Ook de manier waarop Nederlandse regeringen sinds 7 oktober 2023 pal achter Israël blijven staan, bijvoorbeeld door te stellen dat Israël slechts gebruik maakt van ‘het recht op zelfverdediging’ of door niet op te roepen tot een staakt-het-vuren, druist in tegen talloze interne juridische adviezen. Dat bleek in november 2023 al uit verschillende artikelen van NRC die we hier op een rijtje zetten.
De onthullingen van Bennema over de verklaring tot interventie bij het IGH kunnen worden toegevoegd aan de eerder weggewuifde juridische adviezen en daarmee medeplichtigheid aan genocide.