Collectieve straf / Israël sloopt huis van gezin Palestijnse moordverdachte

Opnieuw is een Palestijns gezin dakloos gemaakt uit wraak voor een moord op een joodse Israëli. Ter afschrikking, zegt Israël. Een oorlogsmisdaad, zegt het Statuut van Rome.

In de vroege ochtend van 2 november 2020 slopen Israëlische bezettingstroepen de woning van de familie Dweikat. [c] IDF 

Het is een van de vele pijlers onder het Israëlische onderdrukkingsregime in bezet Palestijns gebied: het slopen van de woningen van vermeende Palestijnse geweldplegers. Nog voor de verdachte schuldig is bevonden, of zelfs nog voor het proces tegen hem op gang is gekomen, wordt met groot vertoon van macht de woning van hem en zijn gezin – en vaak nog andere familieleden – afgebroken.

Sloopbevel

Ditmaal overkwam het de familie van Khalil Abd al-Khaliq Dweikat, een Palestijn uit de plaats Rujib op de bezette Westelijke Jordaanoever. Hij staat in Israël terecht voor de moord op een joodse Israëli. Op 26 augustus van dit jaar zou hij een 39-jarige rabbi, vader van vier kinderen, op straat in Petah Tikvah (Israël) hebben doodgestoken. Volgens Israëlische media heeft Dweikat de moord bekend. In de aanklacht zou de misdaad omschreven zijn als een terreurdaad.

Nog in augustus werd een sloopbevel voor de woning van Dweikat afgegeven. Het gezin vocht het bevel tevergeefs aan. Op 25 oktober gaf het Israëlische Hooggerechtshof groen licht voor de sloop. In de nacht van 1 op 2 november trokken Israëlische troepen Rujib binnen, zetten Dweikats vrouw en zes kinderen op straat en vernietigden de woning. De militairen zetten traangas en rubberkogels in tegen Palestijnse jongeren die hen met stenen en flessen vol verf bekogelden.

Collectieve straf

Het slopen van de woning is een barbaarse vorm van wraak, die mensen treft die part noch deel aan de misdaad hebben; naast de inwonende familieleden ook de mensen die voor hun opvang moeten zorgen. Zulke collectieve bestraffing is streng verboden onder internationaal humanitair recht, zoals vastgelegd in onder meer de Conventies van Genève. Voor het vernietigen van woningen – tenzij om militaire redenen strikt noodzakelijk – geldt hetzelfde. Volgens het Statuut van Rome, het oprichtingsverdrag van het Internationaal Strafhof, komt niet-noodzakelijke vernietiging neer op een oorlogsmisdaad.

Israël sloopt regelmatig woningen van verdachten van geweldsmisdrijven, maar uitsluitend als het Palestijnen betreft; de gezinnen van joods-Israëlische geweldplegers hebben niets te vrezen. Volgens het Hooggerechtshof is de sloop van Palestijnse woningen ‘voor afschrikkingsdoeleinden’ gerechtvaardigd en zelfs ‘noodzakelijk’, schreven we twee maanden geleden naar aanleiding van de sloop van de woningen van vier ‘terreurverdachten’.

Eens te meer blijkt hoe ver het Israëlische recht af staat van wat in een rechtsstaat gangbaar is. En hoe ‘s lands hoogste rechtscollege grove schendingen van het internationaal recht en de universele mensenrechten van een vernisje van rechtmatigheid voorziet. Of de beoogde ‘afschrikking’ werkt valt daarbij zeer te betwijfelen. Te vrezen valt dat met het slopen van woningen van onschuldigen eerder meer haat dan gehoorzaamheid aan een onderdrukkingsregime wordt gezaaid.

Waardeert u ons journalistieke werk? Help ons dat voort te zetten.