Selecteer een pagina

Opinie

Jaap Doek / Israëlische hysterie na etikettering van nederzettingen­producten

Na drie jaar voorbereiding heeft de Europese Commissie op 11 november “richtsnoeren” gepubliceerd voor de etikettering van producten uit Israëls nederzettingen. Die producten werden in het verleden als “made in Israel” geëtiketteerd, terwijl ze niet uit Israël komen. Immers, de nederzettingen liggen in bezet Palestijns gebied – niet in Israël.

Groot-Brittannië, Denemarken en België lanceerden dergelijke richtlijnen eerder nationaal. De Nederlandse regering drong op Europese richtlijnen aan en is nu op haar wenken bediend. Via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zijn de richtlijnen intussen gepubliceerd. Het is nu aan de Nederlandse overheid om op de naleving toe te zien en bij overtredingen te handhaven.

De richtlijnen zijn noodzakelijk en relevant, omdat ze het onderscheid tussen Israël en de bezette gebieden bekrachtigen en verhelderen. Dat onderscheid is voor de consument belangrijk die geen producten uit nederzettingen wil kopen, omdat de nederzettingen een ernstige schending van het internationaal recht zijn en vrede blokkeren. Het is ook in politiek en juridisch opzicht belangrijk, omdat de nederzettingen op geen enkele manier door de internationale gemeenschap erkend of gefaciliteerd mogen worden.

Maar vernieuwend en baanbrekend zijn de richtlijnen niet. Ze zijn namelijk afgeleid van bestaande consumentenwetgeving. Ook al voor de publicatie van de richtlijnen mochten consumenten niet over de herkomst van producten misleid worden. De nieuwe richtlijnen leggen alleen uit hoe producten uit nederzettingen voortaan geëtiketteerd moeten worden, wanneer een vermelding van de oorsprong verplicht is: “product uit de Westelijke Jordaanoever (Israëlische nederzetting)”.

Het feit dat de richtlijnen slechts een uitwerking van bestaande wetgeving zijn, kon Israëlische ministers en parlementariërs er niet van weerhouden moord en brand te schreeuwen:

Premier Netanyahu verweet de EU: “The decision is hypocritical, constitutes a double standard and focuses only on Israel and not the 200 other conflicts around the world.” Moshe Ya’alon, de Israëlische minister van defensie, noemde de richtlijnen “a shameful step giving a prize to terrorism and the people behind it”.

Tzipi Hotovely, plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken, beweerde: “Labeling products is a boycott.” Oppositieleider Isaac Herzog waarschuwde: “It will only inflict serious economic harm on tens of thousands Palestinians who work in factories in Judea and Samaria.” Avigdor Lieberman, leider van de Yisrael Beiteinu partij, riep: “Every time that Europe labels Jews, it’s a sign that anti-Semitism, insanity and hypocrisy has taken over.

Deze boegbeelden van de Israëlische politiek zijn het contact met de realiteit kwijt. De etiketteringsrichtlijnen hebben natuurlijk niets met antisemitisme te maken. Zij vormen ook geen boycot – producten uit nederzettingen kunnen nog steeds naar Europa geëxporteerd worden. Mede daarom zal de schade die Palestijnse arbeiders ondervinden beperkt zijn. En al zouden een paar duizend Palestijnen hun baan in nederzettingen verliezen – zou dat opwegen tegen de € 3,1 miljard schade die de bezetting en nederzettingen elk jaar de Palestijnse economie toebrengen? Die immense schade kan de Israëlische politici die zich nu om de belangen van Palestijnse arbeiders zeggen te bekommeren niets schelen.

Hoe zit het dan met Netanyahu’s verwijt dat de EU een dubbele standaard hanteert en Israël ten opzichte van andere landen en conflicten wordt benadeeld? Ook dat bezwaar is niet valide. De Israëlische bezetting van Palestina is de langste in de moderne geschiedenis en onderscheidt zich door een zeer agressieve vorm van kolonisatie, waarbij het bezette gebied met kolonisten wordt overspoeld, de inheemse bevolking in steden en dorpen wordt opgesloten en de bezetter natuurlijke hulpbronnen plundert. In veel VN-resoluties, ook van de VN-Veiligheidsraad, is Israëls bezettingsbeleid als een zeer ernstige schending van het internationaal recht aangemerkt en veroordeeld. Internationaal is er consensus dat dit beleid een hoofdobstakel voor vrede is. Is er een ander conflict in de wereld waarvoor dit geldt?

De Israëlische bezetting duurt meer dan 48 jaar. Er is een bezetting die aanzienlijk jonger is: de Russische bezetting van de Krim. Die begon afgelopen jaar. Om Rusland te dwingen die bezetting te beëindigen, heeft de EU harde sancties ingesteld. Zo hebben sleutelfiguren uit de omgeving van president Poetin een inreisverbod gekregen, zijn vergaande financiële sancties opgelegd, is een wapenembargo afgekondigd en werd de EU-Rusland top in Sotsji geannuleerd.

Verder zijn producten uit de Krim aan een importverbod onderworpen. Maar producten uit nederzettingen kunnen ook na de lancering van de nieuwe etiketteringsrichtlijnen ongehinderd naar Europa geëxporteerd worden. Netanyahu heeft gelijk: voor Israël geldt een dubbele standaard. Maar Israël wordt juist positief gediscrimineerd en al heel lang ontzien en bevoordeeld.

Op 18 en 19 november vond de behandeling van de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken plaats. In plaats van verdergaande maatregelen te bepleiten die Israëls bezetting zouden indammen, tuimelden de partijen over elkaar heen om moties in te dienen over Europese etiketteringsrichtlijnen voor alle overige conflictgebieden in de wereld.

Ook partijen ter linkerzijde dienden hiervoor moties in. Uiteindelijk werd over één motie gestemd: die van de VVD,  mede namens D66, SP en het CDA. De eerste alinea bevat een merkwaardige en onzorgvuldige formulering: “constaterende dat de Europese Commissie heeft aangekondigd nieuwe richtsnoeren te publiceren omtrent de etikettering van uit Israël afkomstige producten die uit gebieden voorbij de ‘Groene Lijn’ zijn geproduceerd”. “… uit Israël afkomstige producten…”? De nieuwe etiketteringsrichtlijnen hebben nou juist betrekking op producten die niet uit Israël afkomstig zijn.

Door deze motie, met ruime Kamermeerderheid aangenomen, heeft de Nederlandse regering nu de opdracht in Brussel te pleiten voor “richtsnoeren voor álle producten uit álle gebieden die krachtens het internationaal recht bezet of illegaal geannexeerd zijn, teneinde consumenten correct, duidelijk en consequent voor te lichten over de werkelijke herkomst van producten”.

Die opdracht is op zich positief, maar zij versterkt natuurlijk de spin dat Israël gediscrimineerd wordt. Terwijl onze volksvertegenwoordigers in Den Haag al hun energie zouden moeten steken in betekenisvolle maatregelen die Israël zouden bewegen de bezetting te beëindigen, voordat die in 2017 een halve eeuw duurt. Het stelt diep teleur dat daar geen politiek draagvlak voor is.

Voorafgaand aan de stemming over de VVD-motie legde de ChristenUnie mede namens de SGP een stemverklaring af, waarin Kamerlid Voordewind zei: “..zolang een breder [etiketterings]beleid ontbreekt en de labeling dus alleen geldt voor betwiste gebieden in Israël, [zullen] de SGP en de ChristenUnie dit pertinent afwijzen.

Het actuele verkiezingsprogramma van de ChristenUnie spreekt over “het recht, in plaats van het recht van de sterkste”, onderstreept dat “het handhaven van het recht en het beschermen van de rechtsorde van vitaal belang” is en stelt dat de ChristenUnie, gedreven door “de christelijke opdracht te streven naar recht en gerechtigheid”, de buitenlandse betrekkingen ten dienste wil stellen van “rechtvaardige verhoudingen en mensenrechten”.

Maar als de kwestie Israël-Palestina aan de orde komt, gelden deze normen en waarden niet. Dan zijn de bezette gebieden “betwiste gebieden” en liggen deze “in Israël”. Dan zijn mensenrechten geen mensenrechten meer, maar mensen-minus-Palestijnen-rechten. Dat heeft het Kamerdebat op 18 en 19 november nog eens pijnlijk duidelijk gemaakt.