Jaap Doek / Israëls sloopzicht van humanitaire projecten dient één doel: kolonisatie

Ooit gehoord van Qusra? Laat ik u meenemen naar dit nietige, ooit ietwat idyllische Palestijnse dorp, zo’n 28 kilometer ten zuiden van de stad Nabloes op de door Israël bezette Westelijke Jordaanoever. De geschiedenis van Qusra is als de geschiedenis van zoveel Palestijnse dorpen in dit gebied. Er zijn olijfboomgaarden en de dorpelingen verbouwen er, net zoals hun voorvaderen dat eeuwenlang deden, vijgen, groenten, tarwe en gerst.

Qusra ligt sinds 1993 in de zogenaamde “C-gebieden”. De Oslo-akkoorden tussen Israël en de PLO verdeelden de Westoever tijdelijk, hangende een definitieve vredesregeling, in drie gebieden: A, B en C. Gebied C wordt volledig gecontroleerd door Israël, bestuurlijk zowel als militair, en beslaat zo’n 61% van het totale grondgebied van de bezette Jordaanoever. Qusra staat dus onder volledige Israëlische controle en volgens het internationaal recht zijn de bewoners voor hun welzijn en bescherming primair aangewezen op de Israëlische militaire autoriteiten. Er zijn echter weinig inwoners van Qusra die daar vertrouwen in hebben.

Zestien jaar geleden werd vlak naast Qusra een joodse nederzetting gebouwd: Esh Kodesh. Sindsdien is de geschiedenis van Qusra er een van landconfiscaties en confrontaties tussen de lokale Palestijnse bevolking en het Israëlisch leger, dat met traangas en soms kogels de kolonisten beschermt. Aanvallen van gewelddadige kolonisten op Palestijnse burgers zijn aan de orde van de dag. De kroniek van Qusra sinds “Oslo” vermeldt talrijke vernielingen van huizen die volgens de Israëlische bezettingsautoriteiten “illegaal” gebouwd zouden zijn en vooral ook conflicten om water.

Water is een kostbaar goed op de Westoever, minstens even onmisbaar als land. Groot was dan ook de consternatie toen Israël in mei orders gaf dat vier waterbronnen in Qusra vernield moesten worden. “Israël gebruikt alle mogelijke manieren om de Palestijnen van het land van hun voorouders te verjagen”, zei de Palestijnse premier Rami Hamdallah. “Het is echt vreselijk dat onze water infrastructuur wordt vernietigd. Terwijl de Palestijnen kampen met watertekorten, vullen de kolonisten hun zwembaden met het schaarse water.”

Saillant detail is dat de waterbronnen van Qusra gebouwd zijn met Nederlands ontwikkelingsgeld. Het is een voorbeeld hoe Nederland en de Europese Unie ongewild betrokken zijn geraakt bij de strijd tussen fanatieke kolonisten en de inheemse Palestijnse bevolking. Waar een agressieve kolonisatie, al of niet ingegeven door religieuze motieven, botst met de existentiële overlevingsdrang van de lokale bevolking, is zwijgen medeplichtigheid. Het minste dat Nederland en andere EU-lidstaten zouden kunnen doen is het eisen van schadevergoedingen en een ondubbelzinnig politiek antwoord op de schendingen van mensenrechten.

Minister Koenders gaf, in antwoord op Kamervragen, de omvang van het probleem aan. Nederland besteedde in de periode 2011-2016 een goede 19-miljoen euro aan een ontwikkelingsprogramma in gebied C. Veel van de projecten zijn gericht op Palestijnse voedselzekerheid en toegang tot water. De schade aan Nederlandse projecten bedroeg ongeveer 77.000 euro in de periode 2015-16. De schade aan Europese humanitaire projecten bedroeg vorig jaar en tot dusver in 2016 meer dan vier ton.

Het onder verschillende voorwendsels vernielen van Palestijnse eigendommen is vanaf 1967 een vast onderdeel geweest van het Israëlische bezettingsbeleid. Volgens mensenrechtenorganisaties is het voornaamste doel het “leeg maken” van bepaalde regio’s om plaats te maken voor kolonisten. Dit is op grote schaal gebeurd in Oost-Jeruzalem en op de Westoever. Sinds 1967 werden meer dan 23,100 Palestijnse huizen vernield. Met andere woorden: de huisvernielingen maken een integraal onderdeel uit van het kolonisatieproces.

De vernielingen van huizen, bedrijfspanden, agrarische infrastructuur en waterputten zijn de afgelopen maanden echter in een stroomversnelling geraakt. Volgens de VN werden in 2015 531 gebouwen en projecten vernietigd en in 2016 tot en met april al 591. Alleen al in de eerste vier maanden van dit jaar raakten 808 Palestijnen dakloos.

De toename van de Israëlische sloopzucht heeft zeker te maken met de ideologische kleur van de huidige Israëlische regering, die sterk gelieerd is aan de kolonistenbeweging. Irritatie over de Europese politiek ten aanzien van het Midden-Oosten speelt ook een rol. Er is in officiële Israëlisch kringen weinig waardering voor het EU-standpunt dat het Israëlisch-Palestijnse conflict op basis van het internationaal recht en VN-resoluties moet worden opgelost.

In Israëlische regeringskringen wordt aan heel andere “oplossingen” gedacht. De Israëlische minister van Landbouw Uri Ariel bijvoorbeeld bepleit flinke economische steun voor de Palestijnen in de A en B-gebieden van de Westelijke Jordaanoever. “Geef de Palestijnen geen staat, maar injecteer 600 miljoen euro in het gebied om hun levenspeil drastisch te verbeteren”, zei de minister. “Breng gas naar Nabloes en water naar Hebron. Bouw wegen, ziekenhuizen en wat ze maar nodig hebben. Dit is mogelijk en noodzakelijk.”

Deze ontwikkelingshulp is functioneel en gecalculeerd. Meer economische voorspoed zal de droom van een Palestijnse staat doen verdwijnen, aldus Ariel, die tegen elke territoriale “concessie” van Israël is. En wat moet er dan met gebied C gebeuren? Met het grootste deel van de Westoever? Dat moet volgens Ariel door Israël worden geannexeerd. In dit gebied wonen “nauwelijks Arabieren”, beweert Ariel. VN-cijfers tonen echter aan dat er in 2014 in gebied C zo’n 297.500 Palestijnen woonden.

Met het ontwortelen van olijfboomgaarden en het vernielen van woningen, putten en agrarische infrastructuur in gebied C kan het haast niet anders of de Palestijnse bevolking trekt weg. De inwoners van Qusra trekken bijvoorbeeld naar Nabloes om daar te werken en te wonen. Dat is precies wat er gebeurt en het is precies wat Israëls bedoeling is: meer Palestijns land, met minder Palestijnen.