De New York Times publiceerde een stuk over de verkrachting van Palestijnen in Israëlische gevangenkampen. Dat zorgde voor de nodige ophef.

Het was geen nieuw verhaal dat de New York Times op 11 mei bracht onder de titel ‘The Silence That Meets the Rape of Palestinians’ (link zonder betaalmuur hier) door Nicholas Kristof, die al jaren verbonden is aan de krant. Over de stelselmatige verkrachting van Palestijnse mannen, vrouwen en kinderen in Israëlische gevangenissen is uitgebreid gedocumenteerd. Media als Al Jazeera en Mondoweiss besteden er al jaren aandacht aan, mensenrechtenorganisaties als B’Tselem, Amnesty International en Human Rights Watch hebben erover gerapporteerd, net als de VN rapporteur voor de bezette Palestijnse Gebieden Francesca Albanese. Ook op The Rights Forum hebben we er regelmatig aandacht aan besteed, zoals hier, hier en hier.
Het verhaal in de New York Times was om verschillende redenen anders. Alleen al het feit dat het in één van de invloedrijkste dagbladen ter wereld verscheen, zorgde voor ophef. Bovendien volgt de krant in haar berichtgeving over Israël en Palestina vaak het Israelische narratief. Dat blijkt ook weer uit het feit dat Kristofs artikel niet op de nieuws- of achtergrondpagina’s verscheen, maar in de opiniesectie. Dat terwijl aan de inhoud van het stuk stevig journalistiek onderzoek vooraf ging, en het feiten, en geen opinie betrof.
Kristof sprak voor zijn stuk met veertien Palestijnse mannen en vrouwen die zeiden seksueel te zijn misbruikt door Israëlische kolonisten of leden van de Israëlische veiligheidsdiensten, en met familieleden, rechercheurs, functionarissen en anderen. De getuigenissen, die hij op de Westelijke Jordaanoever verzamelde, zijn indringend. Zoals die van de 46-jarige journalist Sami al-Sai, die over het gedrag van een groep bewakers vertelt: ‘Ze sloegen me allemaal, en een van hen trapte op mijn hoofd en nek. Iemand trok mijn broek naar beneden. Ze trokken mijn boxershort naar beneden. Een van de bewakers haalde een rubberen wapenstok tevoorschijn. Hij probeerde die in mijn rectum te duwen en ik hield me schrap om het te voorkomen, maar het lukte me niet. Het was zo pijnlijk.’
Een vrouw vertelt over hoe ze in gevangenschap herhaaldelijk werd uitgekleed, geslagen en gefouilleerd door teams van mannelijke en vrouwelijke bewakers. Het patroon was altijd hetzelfde: meerdere bewakers, mannen en vrouwen, kwamen naar haar cel, dwongen de vrouw zich uit te kleden, boeiden haar handen achter haar rug en dwongen haar voorover, soms met haar hoofd in de toiletpot. In deze positie werd ze overal geslagen en betast, zei ze. Ze vertelde Kristof: ‘Ze hebben me overal betast. Eerlijk gezegd weet ik niet of ze me verkracht hebben’, voegde ze toe, omdat ze door de mishandelingen soms het bewustzijn verloor.
Kristof stelt in zijn stuk dat ‘het onmogelijk is om te weten hoe vaak seksuele aanrandingen van Palestijnen voorkomen’. Hij haalt betrouwbare bronnen aan die aantonen dat de praktijk zeer wijd verbreid is. Hij noemt onder andere het recente Save the Children-onderzoek onder kinderen van 12 tot 17 jaar die in Israëlische detentie hadden gezeten en van wie meer dan de helft meldde getuige te zijn geweest van of zelf seksueel geweld te hebben meegemaakt.
Ook de bevindingen van de Committee to Protect Journalists worden aangehaald. Dat ondervroeg 59 Palestijnse journalisten die door de Israëlische autoriteiten waren vrijgelaten: drie procent gaf aan te zijn verkracht en 29 procent stelde andere vormen van seksueel geweld te hebben ondergaan. Ook een recent rapport van de Euro-Med Human Rights Monitor schraagt Kristofs bevindingen.
Sari Bashi, mensenrechtenadvocaat en directeur van het Openbaar Comité tegen Marteling in Israël, vertelde Kristof: ‘Het wijdverbreide seksueel misbruik van Palestijnse gevangenen is een feit; het is genormaliseerd. Ik zie geen bewijs dat er bevel toe wordt gegeven, maar er zijn consistente aanwijzingen dat de autoriteiten ervan weten en er niets tegen doen.’
Organisaties die er onderzoek naar doen, zeggen dat de werkelijke aantallen van seksueel geweld waarschijnlijk hoger liggen. Veel slachtoffers zijn te getraumatiseerd om over hun ervaringen te kunnen praten of durven dat niet omdat de Israëlische autoriteiten dreigen met meer geweld als ze praten, of vanwege vooroordelen en sociaal stigma’s in de Palestijnse samenleving – of vanwege al die redenen samen.
In zijn artikel haalt Kristof eerdere verslaggeving van de New York Times aan over seksueel geweld, maar dan niet over Palestijnse slachtoffers maar over Israëlische, tijdens de Hamas-aanval van 7 oktober 2023. Het belangrijkste stuk dat de krant daarover had, dateert van 28 december 2023 en heet Screams Without Words: How Hamas Weaponized Sexual Violence of Oct. 7. Anders dan het artikel door Kristof werd dat artikel wél als onderzoeksjournalistiek gepresenteerd.
Vervolgens werd het twee maanden later onderuit gehaald door The Intercept, waarna ook een groep academici in de journalistiek een uitgebreide brief publiceerde op Literary Hub, waarin ze hun twijfels uitten en vroegen om een externe controle van het stuk. De New York Times ging daar niet op in.
De New York Times bleef bij het artikel, en publiceerde daarna ook andere stukken over het vermeende seksueel geweld door Hamas. Voor dat seksueel geweld is geen bewijs is gevonden – wat niet bewijst dat het niet is gebeurd. Ook een rapport van de Verenigde Naties erover, vond dat bewijs niet, maar concludeerde dat het ‘aannemelijk’ is dat er seksueel geweld heeft plaatsgevonden. Ander onafhankelijk onderzoek ernaar is lastig, doordat onderzoekers geen toegang krijgen tot Israël, zo berichtte bijvoorbeeld Haaretz (geen betaalmuur hier).
In dat licht valt allicht ook het nieuwste rapport te zien over het vermeende seksueel geweld door Hamas. Dat rapport, door een ‘onafhankelijke burgercommissie’, kwam uit op 12 mei, een dag na het artikel door Kristof in de New York Times. Diverse Nederlandse media besteedden er aandacht aan, waaronder Nu.nl en de Volkskrant (geen betaalmuur hier). In het rapport staan tal van niet-onderbouwde claims, indirecte getuigen en verhalen over wat er is ‘gehoord’, en het biedt een ondoordringbaar woud van noten en subnoten.
Of het toeval is dat het Israëlische rapport op 12 mei uitkwam, valt niet te achterhalen, maar Kristof had zijn journalistieke werk gedaan en de Israëlische autoriteiten om wederhoor gevraagd; in Israël wisten ze dat zijn publicatie op handen was.
De New York Times besteedde ook aandacht aan het nieuwe Israëlische rapport – dit keer wel op de nieuwspagina’s. Ook het CIDI besteedt er zowel op X als op haar website uitgebreid aan. Het artikel van Nicholas Kristof wordt door het CIDI niet genoemd.
Direct nadat de New York Times het artikel door Kristof publiceerde, kondigde het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken in een bericht op X aan dat premier Benjamin Netanyahu en minister van Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar opdracht hadden gegeven tot het aanspannen van een rechtszaak wegens smaad ‘na de publicatie door Nicholas Kristof in The New York Times van een van de meest weerzinwekkende en verdraaide leugens ooit over de staat Israël in de moderne pers’.
Netanyahu zei op X dat hij zijn juridische adviseurs opdracht had gegeven ‘de zwaarste juridische stappen te overwegen tegen The New York Times en Nicholas Kristof’. Zij zouden een ‘bloedlaster over verkrachting’ hebben verspreid, ‘in een poging een valse symmetrie te creëren tussen de genocidale terroristen van Hamas en de dappere soldaten van Israël.’ Of de aangifte inmiddels is gedaan, is niet bekend.
De New York Times heeft Kristofs artikel verdedigd. Naar goed journalistiek gebruik werden kritiek erop en onderschrijving ervan in de brievenrubriek netjes in balans gebracht.