Voormalig Egypte-correspondent, nu werkzaam als journalist voor The Rights Forum.
2 oktober 2026 Lees meer overHistoricus Assal Rad corrigeert al jaren koppen van toonaangevende media. De berichtgeving over Palestina ‘vertroebelt de feiten om de ergste misdaden te rechtvaardigen’, stelt ze in haar boek Don’t say Palestine.

‘Dit is genocide [..] Het is ontzettend moeilijk keer op keer in de media te zien hoe het wordt voorgesteld [als humanitaire crisis]. Dat is zeer, zéér misleidend.’
Het zijn de woorden van de Amerikaanse kinderarts Tanja Haj-Hassan, die sinds de genocide verschillende periodes in ziekenhuizen in de Gazastrook werkte. Op 11 oktober 2024 sprak ze via een onlineverbinding met nieuwszender CNN. Met soms trillende stem probeerde ze de presentator uit te leggen dat het verkeerd was om wat zij had aanschouwd in de Gazastrook, te beschrijven als een ‘humanitaire crisis’.
De frustratie van Haj-Hassan, en velen met haar, over de westerse media zat duidelijk diep. ‘Media zullen rekenschap moeten afleggen over hun grote rol in de genocide op een volledige bevolking’, zei ze.
Wat is die ‘grote rol’ in genocide? Waarom zien Palestijnen en pro-Palestijnse activisten westerse media als ‘medeplichtig’? Of, om in de woorden van de Palestijnse onderzoeker Abdalhadi Alijla te spreken: waarom zijn westerse media ‘een belangrijk en integraal onderdeel van de genocide’?
Om een overtuigend antwoord op deze vragen te krijgen, is het deze maand uitgekomen boek Don’t say Palestine van de Amerikaanse historicus Assal Rad een absolute aanrader.
Rad is een bekende naam wanneer het over Palestina gaat. Sinds mei 2021, ruim voor de huidige genocide, corrigeert ze koppen van artikelen over Palestina in toonaangevende Amerikaanse en Britse media. Dat doet ze door woorden door te strepen en te vervangen voor woorden die een accurater weergave van de gebeurtenissen geven. Ze richt zich vooral op publicaties zoals The New York Times, CNN, BBC, Reuters en AP.
Van ‘uithuiszettingen in Jeruzalem’ maakt ze ‘gedwongen verdrijving uit Jeruzalem’. ‘Wat hongersnood doet met Gaza’s kinderen’, wordt ‘wat Israëls beleid van uithongering doet met Gaza’s kinderen’. Vrijwel dagelijks deelt ze op dergelijke manier gecorrigeerde koppen op haar sociale mediakanalen. Hiermee laat ze zien dat kleine veranderingen in woordkeus ervoor kunnen zorgen dat nieuwsberichten een heel andere lading krijgen, en daarmee een heel ander beeld schetsen van wat zich op de grond afspeelt.
Het gaat niet om enkele, incidentele gevallen van misleidende koppen. Het is een patroon, stelt Rad. Zo’n duidelijk patroon dat het geen toeval kan zijn, of gewoon een uiting van gebrekkige journalistiek. Het is zo bedoeld – by design.
Op basis van het jarenlang volgen en bekritiseren van de berichtgeving over Palestina in Amerikaanse media, werkte ze deze stelling in detail uit in haar boek. Rad gaat er daarbij met gestrekt been in. Zo schrijft ze in de inleiding:
Jarenlang hebben de reguliere media bijgedragen aan de normalisering van de Israëlische bezetting en wreedheid tegen de Palestijnen, met zorgvuldig gekozen taalgebruik, om een verhaal te construeren dat aansloot bij de Israëlische standpunten en de westerse regeringen die deze herhaalden.
Door kaders te hanteren die de decennialange militaire bezetting door Israël, de blokkade van de Gazastrook en het apartheidsbeleid verhullen, hebben westerse media oorlogsmisdaden genormaliseerd en bijgedragen aan het in stand houden van de illusie dat Israël eeuwig slachtoffer is. Erger nog: ze gebruikten eufemismen en misleidende narratieven om het publieke begrip van het internationaal recht te ondermijnen en Israël te vrijwaren van verantwoording, om zo de ergste misdaad tegen de menselijkheid – genocide – te rechtvaardigen.
Rad definieert negen problematische patronen in de verslaggeving over Palestina:
Het eerste punt, het niet toeschrijven van geweld aan Israël, komt duidelijk naar voren in het voorbeeld bovenaan dit artikel, waarin arts Haj-Hassan zich boos maakt over de aanduiding ‘humanitaire crisis’ voor de situatie in de Gazastrook. Het betreft geen natuurramp, zei Hassan, maar een staat [Israël] die bewust de Gazastrook vernietigd en Palestijns leven daar onmogelijk maakt.
Het boek gaat over Engelstalige media, maar vergelijkbare patronen zijn te vinden in Nederlandse media. Om één voorbeeld te geven: in een interview met Trouw in 2025 betoogde de hoofdredacteur van de NOS, Giselle van Cann, dat de NOS op een juiste manier verslag deed van de gebeurtenissen in de Gazastrook, omdat het aandacht had voor zowel ‘de misdaden van Hamas en de catastrofe in Gaza’.
Rad werkt de patronen door het boek heen uit met tal van voorbeelden, zoals de berichtgeving over de moord op het vijfjarige Palestijnse meisje Hind Rajab in 2024, de verslaggeving van aanvallen op hulpverleners, ziekenhuizen en journalisten, en de nieuwsvoorziening rondom het zogenaamde staakt-het-vuren.
Ze toont aan dat de manier waarop toonaangevende media in de VS gebeurtenissen in Palestina verslaan, goeddeels de officiële politieke lijn van de Amerikaanse regering volgt. Hiervoor gaat ze in verschillende hoofdstukken uitgebreid in op hoe Amerikaanse bewindslieden zaken verdraaien of goedpraten, en hoe via die deze bewindslieden die taal zijn weg vindt in de verslaggeving.
Haar methode is kwalitatief, in tegenstelling tot het ook recent verschenen boek How to sell a genocide van Adam Johnson, die op een datagedreven manier de berichtgeving over Palestina analyseert, en tot dezelfde conclusies komt als Rad.
Door de manier van berichtgeven, hebben veel westerse media eraan bijgedragen dat het brede publiek, zeker in het begin van de genocide, veelal instemde met het handelen van Israël en de Amerikaanse steun voor Israël, stelt Rad.
Manufacturing consent, is de Engelse term hiervoor. Israëlisch geweld wordt zo omschreven, dat het gerechtvaardigd, proportioneel, begrijpelijk of niet zo ernstig lijkt, terwijl het in feite om zware misdrijven, gruwelijkheden en anderzijds schendingen van het internationaal recht gaat. Over Israëlische slachtoffers wordt juist wel bericht op een manier die emoties oproept, zoals schok, verontwaardiging en boosheid.
Daarmee zijn deze media medeplichtig aan de genocide, concludeert Rad. ‘Wanneer de verhalenvertellers de feiten vertroebelen om deze misdaden te rechtvaardigen, maken zij zich daaraan medeplichtig. Wanneer zij een incorrect verhaal vertellen, is er geen sprake van een vrije pers. Het is genocidepropaganda.’
Het is zeker voor een journalist een bittere pil deze harde woorden te slikken. Maar na het lezen van al de voorbeelden die Rad aandraagt, en haar grondige analyses daarvan, is het onvermijdelijk als journalist stevig in de spiegel te kijken. En onze notie van wat ‘vrije pers’ in het Westen inhoudt, eens kritisch tegen het licht te houden.