Ondanks alle ellende blijven jonge Palestijnen in de Gazastrook muziek maken. Op kapotte instrumenten, onder de raketaanvallen en in overvolle tentenkampen. Wachtend op de dag dat het geluid van applaus eindelijk boven dat van explosies uitstijgt, schrijft Rita Baroud.

Die ochtend ontvouwde het nieuws zich sneller dan wie dan ook het kon verwerken. Buurten werden doordrongen van harde, indringende knallen, terwijl families haastig alles wat ze konden dragen in auto’s propten.
Haifa Abu Shamleh’s cello bleef achter.
Het was niet zozeer haar bewuste beslissing. Het grote houten instrument dat haar sinds haar jeugd had begeleid, eiste ruimte op die er niet meer was. In de auto lagen dekens, een paar kleren, identiteitspapieren en de noodzakelijke spullen van het gezin om te kunnen overleven.
De cello bleef in de hoek van de kamer staan. Haifa (22) wist niet dat haar ontheemding meer dan een jaar zou duren. Evenmin wist ze dat niet het ontheemd zijn haar het meest zou kwellen, maar de gedachte dat het instrument, waarmee ze was opgegroeid, misschien was verbrand. Dat haar cello een verkoold stuk hout zou zijn geworden, onder de ruïnes van haar ouderlijk huis.
Haifa’s angst om de cello te verliezen had weinig te maken met de geldwaarde ervan. Het instrument belichaamde jaren van haar leven: eindeloze uren oefenen, schooloptredens, haar eerste muzieklessen, de zenuwachtige opwinding van het voor het eerst vasthouden van de strijkstok, en de dromen die met elk nieuw stuk dat ze beheerste, mooier werden.
Toen het gezin eindelijk terugkeerde, vertoonde het huis onmiskenbare sporen van brand. De muren waren zwartgeblakerd, het meubilair was onherkenbaar veranderd. Maar de cello stond er nog. Hij had het overleefd, al was hij niet ongeschonden gebleven. De intense hitte had de lijm die de houten klankkast bij elkaar hield, doen smelten en het instrument beschadigd, waardoor het oppervlak werd getekend door littekens die de wonden van de stad weerspiegelden.
Haifa aarzelde geen moment, ze moest de cello in zijn oorspronkelijke staat terugbrengen. ‘De eerste keer dat ik hem weer vasthield, nadat hij gerepareerd was, voelde ik alsof ik een deel van mezelf terugkreeg’, zegt ze.
In de Gazastrook hebben alledaagse dingen een andere betekenis gekregen. Een huis is niet langer zomaar een woning. Een raam is niet langer slechts een venster. Een sleutel is niet langer simpelweg een stuk metaal. En dat geldt ook voor muziekinstrumenten, die een veel diepere betekenis hebben gekregen dan hun oorspronkelijke doel. Ze bewaren de herinneringen van hun eigenaren, terwijl de wereld om hen heen langzaam uit elkaar valt.
Cello spelen was niet Haifa’s eerste keuze. Toen ze zich in 2015 inschreef aan de dependance van het Edward Said Nationaal Conservatorium voor Muziek, was ze elf jaar en wilde ze maar één ding: piano leren spelen. Maar de leeftijdseisen van het conservatorium stelden dat ze op haar zesde had moeten beginnen.
Ze herinnert zich nog goed hoe teleurgesteld ze het conservatorium die dag verliet, haar droom was in duigen gevallen. Toen stelde iemand voor een ander instrument voor: de cello. Ze kende het instrument niet en ze had zich zeker nooit kunnen voorstellen het haar ooit zo lief zou worden.
‘Ik heb de cello niet gekozen’, glimlacht Haifa nu, tien jaar later. ‘De cello heeft mij gekozen. Hij is mijn stem, hij vertolkt wat woorden niet kunnen uitdrukken.’
Enkele maanden na haar terugkeer naar Noord-Gaza moesten Haifa en haar familie opnieuw vluchten. Deze keer nam ze de cello mee. Ze had haar lesje geleerd, ze zou hem nooit meer achterlaten. Maar dat betekende nog niet dat ze er ook op kon spelen. Het gezin huisde in één kamer die diende als slaapkamer, keuken, woonkamer en ontvangstkamer voor bezoekende familieleden.
Er was geen plaats voor een cellistenstoel, geen ruimte voor de resonantie van de cello. Er was nog een ander probleem. ‘Iedereen om mij heen zocht maar één ding’, zegt Haifa: ‘stilte. Na de oneindige drones, straaljagers en explosies wilden de mensen helemaal niets horen, zelfs geen muziek.’
Enkele wijken verderop kwam muziek bij Wajd Akram Al-Jaru (23) thuis op haar pad. Toen ze twaalf jaar oud was, zat ze vaak te kijken hoe haar oudere broer, Saïd, gitaar speelde. Ze was gefascineerd door de manier waarop zijn vingers moeiteloos over de snaren bewogen, verbaasd dat een eenvoudig houten instrument met zes snaren een hele kamer met zoveel warmte kon vullen. Haar broer leerde haar de basisbeginselen en al snel werd gitaarspelen een passie.
Vanaf dat moment werd het internet haar leraar. Ze pauzeerde instructievideo’s en speelde ze telkens opnieuw af, vertraagde ze en probeerde het nog eens. Ze had geen instructeur die haar fouten corrigeerde, geen conservatorium met een vast lesprogramma.
Toen ze de gitaar beheerste, wilde ze ook piano leren spelen. Ze kende dat instrument uit Tom en Jerry en uit films. Haar broer verraste haar met een elektrische piano. Ze leerde opmerkelijk snel, voortbouwend op wat ze zichzelf op de gitaar had aangeleerd en bracht talloze uren alleen oefenend door.
Tot de Israëlische geweldscampagne begon.
In de Gazastrook wordt verlies niet alleen gemeten door wat met luchtaanvallen is verwoest. Wajd herinnert zich hoe ze na de eerste maanden van ontheemding naar haar gitaar keek. De snaren waren ruw, verroest van vochtigheid en verwaarlozing, het bespelen ervan deed pijn aan haar vingertoppen. Het vervangen ervan, was allesbehalve eenvoudig. Nieuwe snaren waren schaars geworden. En als ze al te vinden waren, kostten ze meer dan ze zich kon veroorloven.
‘Ik was altijd bang dat er een snaar zou breken en dat ik die niet zou kunnen vervangen’, vertelt Wajd. De piano onderging een nog wreder lot dan de gitaar. Een instrument dat afhankelijk was van elektrische stroom, was stilgevallen in een stad waar de elektriciteit zelf maandenlang was uitgevallen. De piano bleef staan waar hij stond – niet omdat hij niet meer te repareren was, maar omdat ze hem niet meer aan kreeg.
Toen ze na maanden van ontheemding eindelijk thuiskwam, was het instrument niet meer waar ze het had achtergelaten, het lag begraven onder puin. Het lukte haar het er onder uit te halen, maar veel toetsen werkten niet meer. Tot op de dag van vandaag heeft ze de piano niet kunnen repareren. Onderdelen zijn niet verkrijgbaar, en zelfs als ze die zou kunnen vinden, zou ze de reparatie niet kunnen betalen.
Verwoesting zit in Gaza in details die voor buitenstaanders misschien klein lijken. Een ontbrekende gitaarsnaar. Een routerbatterij die leeg is, voordat een online les is afgelopen. Een uur elektriciteit dat wordt gebruikt voor de koelkast in plaats van voor de piano. Een overvolle ruimte waar twintig minuten ongestoord oefenen onmogelijk is.
De betekenis van geluid is in Gaza ingrijpend veranderd. Een stad die ooit gevuld was met het lawaai van markten, straatverkopers en lachende kinderen, beschouwt stilte nu als een zegening. Haifa wilde de mensen om zich heen niet storen. Ze zag kinderen die probeerden te slapen, uitgeputte gezinnen die na weer een dag van bombardementen wanhopig op zoek waren naar een paar momenten van rust. Dan legde ze de cello maar weer weg.
‘Telkens als ik een stuk speel dat ik voor de oorlog leerde, brengt het me terug naar mijn oude Gaza’, zegt Wajd. Naar de geur van gewone ochtenden. Naar de wandeling naar huis vanaf de universiteit. De weg naar de zee. Familiebezoeken. Muziek is een levend archief geworden, een manier om een stad die elke dag verder wordt misvormd, wat te bewaren, zodat ze niet helemaal uit het geheugen verdwijnt.
In de Gazastrook is muziek onderdeel geworden van de moeilijke vragen die het geweld iedereen dwingt te stellen. Wat heeft het voor zin om een nieuw stuk te leren als je niet weet waar je vannacht zult slapen? Wat betekent het om een instrument te bespelen als je gezin water, eten en elektriciteit nodig heeft?
Na haar terugkeer naar Noord-Gaza probeerde Haifa haar oude oefenroutine weer op te pakken. Maar de elektriciteit viel midden in een les uit. De internetverbinding verdween zonder waarschuwing. Het constante lawaai overstemde zelfs de kleinste muzikale details.
Toch weigerde ze op te geven. Tegenwoordig volgt ze wekelijks een online les bij een van haar docenten van het Edward Said Nationaal Conservatorium. De les duurt dertig minuten en in dat korte tijdsbestek probeert ze al haar vragen te stellen, luistert ze aandachtig naar elke correctie en speelt ze zoveel mogelijk voordat de verbinding wordt verbroken.
Als de les is afgelopen, besteedt ze uren aan het online zoeken naar bladmuziek. Als ze geen arrangementen kan vinden die specifiek voor de cello zijn geschreven, bewerkt ze pianopartituren. Noot voor noot kopieert ze die met de hand. Schrijft, gumt en begint opnieuw.
In de Gazastrook is de definitie van succes veranderd. Een nieuwe gitaarsnaar vinden, is een succes. Eén uur ononderbroken elektriciteit hebben, een internetverbinding tot het einde van een les in stand houden, een stuk afmaken zonder onderbroken te worden door het geluid van een drone of een explosie – ook dat is een succes. Het zijn kleine overwinningen.
Haifa weet dat ze niet ongedaan kan maken wat is gebeurd. Ze kan de verwoeste huizen niet herbouwen, ze kan de verloren jaren niet inhalen. Maar ze houdt hardnekkig vast aan haar cello: omdat die haar gevoelens blijft geven die de oorlog nooit helemaal heeft kunnen afnemen. ‘De genocide mag mijn toekomst niet bepalen’, zegt Haifa.
De wereld kent de Gazastrook via nieuwsberichten, nummers, statistieken, kaarten en officiële verklaringen. Maar achter elk nummer schuilt een leven. Een universiteitsstudent. Een arts. Een schilder. Een schrijver. Een kind dat piano leert spelen. Haifa die ervan droomt professioneel celliste te worden en die weigert zich te laten reduceren tot het label ‘overlevende’. Haifa wil dat mensen haar leren kennen door wat ze speelt – níet door wat ze verloren heeft.
Ook Wajd wil bewijzen dat de Gazastrook niet alleen tragedies, maar ook talent voortbrengt. Zoals jongeren die zichzelf muziek hebben aangeleerd, ondanks de schaarse middelen. Die dromen van melodieën in een stad zonder concertzalen, muziekscholen en met instrumenten die praktisch niet te repareren zijn. Muziek maken is haar manier om te zeggen: ik ben er nog steeds.
Haifa’s droom is om in Gaza op te treden, niet langer een gewone daad in een stad die al jarenlang is ondergedompeld in dood verlies en ontheemding. ‘Voor een publiek dat gekomen is om het leven te vieren.’
Wajd praat zelden over optreden. ‘Ik heb podiumvrees’, lacht ze. Ze heeft het gevoel dat er nog een heel universum aan muziek te ontdekken valt. Ze wil muziek beter begrijpen, de theorie bestuderen, leren. Zelfstudie, zegt ze, heeft haar veel gebracht. Maar het heeft haar ook laten zien hoeveel er nog te leren valt.
Muziek bewijst dat mensen zich zelfs in de moeilijkste momenten nog steeds kunnen vastklampen aan iets wat geweld niet kan vernietigen. Iets dat niet te meten is aan het aantal overgebleven kamers, of aan het aantal uren elektriciteit per dag, aan de hoeveelheid eten op tafel.
Israël kan de Gazastrook belegeren. Het kan woningen, universiteiten, ziekenhuizen verwoesten en muzieklessen doorkruisen. Maar hoe lang het Israëlische geweld ook duurt, het kan Palestijnse stemmen niet tot zwijgen dwingen.
In Gaza, waar de lucht zo vaak gevuld is met het lawaai van vliegtuigen en drones, blijven jongeren zoeken naar andere geluiden. Van een cello die een brand heeft overleefd. Een gitaar die wacht op nieuwe snaren. Een piano die onder het puin vandaan is gehaald en waarvan de stille toetsen wachten.
Muziek herinnert zowel de eigenaren van de instrumenten als hun toehoorders eraan dat Gaza meer is dan een stad waarvan het verhaal wordt verteld door oorlogsberichten.
Het is ook een stad waarvan de inwoners elke dag een nieuw verhaal schrijven, verteld door melodieën in plaats van statistieken. Door hoop in plaats van nummers. Door handen die nog steeds een strijkstok vasthouden, gitaarsnaren aanspannen en pianotoetsen indrukken – wachtend op de dag dat het geluid van applaus eindelijk boven het geluid van explosies uitstijgt.
Rita Baroud is geboren in Gaza-stad, ze vluchtte op 23 april 2025 met haar familie naar Marseille, waar haar vader, een kunstenaar, een beurs had gekregen.