John Dugard / Een vergelijking tussen Israël en Zuid-Afrika onder apartheid

Israël verbiedt zes mensenrechtenorganisaties. Zo ver ging destijds zelfs het apartheidsregime in Zuid-Afrika niet. Anders dan dat regime weet Israël dat het Westen toch geen sancties treft, welke misdaden en rechtenschendingen het ook begaat.

Demonstratie tegen Israëls Palestinapolitiek van de Israëlische organisatie Breaking the Silence in Tel Aviv, 23 juni 2020. [c] Breaking the Silence 

Israël heeft zes Palestijnse humanitaire en mensenrechtenorganisaties, alle gevestigd in door Israël bezet gebied, op de nationale terrorismelijst geplaatst. Daaronder zijn Al-Haq, dat Israëlische mensenrechtenschendingen in bezet Palestina monitort en documenteert; Addameer, dat de marteling van gevangenen door Israël aan de kaak stelt en hulp biedt aan Palestijnse gedetineerden; en Defense for Children International-Palestine, dat zich inzet voor het welzijn van kinderen in bezet gebied.

Een Israëlische antiterrorisme-wet uit 2016 biedt de autoriteiten de mogelijkheid organisaties die op de terrorismelijst staan hard aan te pakken. Israël kan hun activiteiten en financiering verbieden, hun kantoren sluiten, beslag leggen op hun bezittingen en hun medewerkers gevangenzetten. Het lijdt weinig twijfel dat dit precies is wat Israël van plan is. Niet omdat de organisaties terrorisme steunen, maar omdat zij de bezetter hinderlijk voor de voeten lopen.

Het Israëlische handelen in bezet Palestina wordt steeds vaker vergeleken met dat van het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Twee alom gerespecteerde mensenrechtenorganisaties, het in de VS gevestigde Human Rights Watch en het Israëlische B’Tselem, concludeerden onlangs dat Israël zich in bezet gebied schuldig maakt aan de misdaad van apartheid, zoals onder internationaal recht gedefinieerd als een misdaad tegen de menselijkheid.

In september 2018 verscheen van John Dugard het boek ‘Confronting Apartheid, A Personal History of South Africa, Namibia and Palestine’.

In 2007 was ik er, als Speciaal VN-Rapporteur voor de Mensenrechten in bezet Palestina, al van overtuigd dat Israëls wetgeving en beleid kenmerkend waren voor apartheid. Dat oordeel baseerde ik op de veertig jaar die ik onder het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime leefde, en de meer dan tien jaar die ik er werkte als directeur van het Centre for Applied Legal Studies, een mensenrechtenorganisatie.

Ook het apartheidsregime beschikte over draconische wetgeving, die sterk leek op de Israëlische antiterrorisme-wet uit 2016. Op basis daarvan verbood het onder meer de communistische en de liberale partij, het African National Congress, de National Union of South African Students en het Christian Institute. De wetgeving was ruim genoeg om ook de mensenrechten­organisaties te verbieden die in het land actief waren. Maar dat gebeurde niet. Waarom niet?

Dat de organisaties het regime een doorn in het oog waren staat vast. Hun werkzaamheden kwamen in hoge mate overeen met die van de zes Palestijnse organisaties: ze documenteerden mensenrechtenschendingen, pleitten voor politieke vrijheid en gelijkheid, en vestigden met publicaties en rechtszaken de aandacht op zaken als marteling, de inbeslagname van land, de sloop van woningen, politieke repressie en apartheid.

De belangrijkste reden voor het regime om af te zien van het verbieden van de organisaties was, vermoed ik, dat zij de misstanden aanvochten op basis van de Zuid-Afrikaanse wet. Door hun werkzaamheden te gedogen kon het tegenover de kritische – om niet te zeggen vijandige – buitenwereld de schijn ophouden dat het de rule of law respecteerde. Het regime besefte dat dit met name in zijn relatie met de westerse wereld cruciaal was.

Israël weet dat het zich over zijn imago geen zorgen hoeft te maken. Het ophouden van de schijn van een rule of law respecterende staat is niet nodig. Het heeft in de loop van tientallen jaren geleerd dat de westerse wereld geen maatregelen treft, welke misdaden en rechtenschendingen het ook begaat. Israëlisch exceptionalisme, weet het, is een westerse waarde die het land van alle smetten zuivert.

Vandaag de dag stellen oprechte en geïnformeerde mensen niet langer de vraag of Israël zich in bezet Palestina schuldig maakt aan de misdaad van apartheid. Zij accepteren de feiten, die aantonen dat de meer dan 800 duizend Joods-Israëlische kolonisten en militairen op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem een etnische groep vormen die de Palestijnen systematisch onderdrukt door middel van onmenselijke daden – de definitie van de misdaad van apartheid in het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof. In plaats daarvan stellen zij de vraag: ‘Is de Israëlische apartheid erger dan die in Zuid-Afrika?’ Afgaande op Israëls recente campagne tegen de Palestijnse mensenrechten­organisaties is er maar één juist antwoord: ja.

Dit artikel verscheen eerder op de website Joop.nl.