Nikolaos van Dam

Nikolaos van Dam is lid van de Raad van Advies van The Rights Forum en de voormalige Nederlandse ambassadeur in Indonesië, Duitsland, Turkije, Egypte en Irak, en Speciaal Gezant voor Syrië. Als jongere diplomaat diende hij in Libanon, Jordanië, de Palestijnse bezette gebieden en Libië.

4 juni 2026 Lees meer over

Nikolaos van DamIsraël, Palestina en de ontrafeling van westerse illusies

Kritiek leveren op Israël ligt gevoelig binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken en kan je carrière schaden. Zozeer, dat interne memo’s pro-Israël worden gekleurd, zag voormalig ambassadeur Nikolaos van Dam al in de jaren ’70.

1988: een bewoners in Nablus ligt geboeid tussen vier Israëlische militairen tijdens de eerste intifada, die begon in 1987 en eindigde met de ondertekening van de Oslo-akkoorden in 1993. © ANP

Tijdens mijn jaren bij het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken publiceerde ik weinig over Palestina en Israël. Niet omdat ik daarover niets te zeggen had, maar omdat kritiek op Israël onder de toen geldende verhoudingen moeilijk lag. Publiceren was formeel toegestaan, maar men moest wel rekening houden met mogelijke negatieve gevolgen wanneer teksten afweken van het officiële beleid. Sommige ambtenaren ondervonden negatieve gevolgen voor hun loopbaan na publicaties die als te kritisch werden beschouwd.

Verboden te klappen

In mijn begintijd op het ministerie moest ik eraan wennen dat sympathie voor de Palestijnse zaak niet vanzelfsprekend was, zelfs wanneer die volledig gerechtvaardigd was. Tijdens een bijeenkomst van de Euro-Arabische Dialoog in Den Haag hield een vertegenwoordiger van de Arabische Liga een bevlogen toespraak ter ondersteuning van de Palestijnen. Het publiek applaudisseerde en ik deed enthousiast mee. Toen ik echter naar mijn directeur keek, zag ik een verwijtende blik: mijn applaus weerspiegelde niet het beleid van de Nederlandse regering.

Destijds dacht ik dat wat wetenschappelijk of academisch verantwoord was, niet redelijkerwijs op politieke gronden kon worden bestreden. Dat bleek naïef. Objectief rapporteren over ontwikkelingen in het Midden-Oosten werd niet altijd gewaardeerd wanneer dit niet strookte met de politieke lijn van minister of regering. Ik heb altijd moeite gehad met situaties waarin regeringen niet bereid waren serieus naar deskundigen te luisteren. In zulke gevallen kreeg onwetendheid de overhand — of geveinsde onwetendheid, ingegeven door politieke motieven of opportunisme.

Ik herinner mij een Nederlandse ambassadeur in Beiroet die in de jaren zeventig objectief rapporteerde over Israëlische bombardementen op Libanon. De reactie van sommige sleutelfiguren op het ministerie was: ‘Die man is volledig de weg kwijt.’ Over een andere diplomaat, die Palestijnse vluchtelingenkampen in Zuid-Libanon had bezocht, werd gezegd: ‘Het is alsof hij helemaal Palestijn is geworden!’

Memo’s veranderd

Terminologie speelde voortdurend een belangrijke rol. In 1978 vond een grootschalige Israëlische militaire inval in Libanon plaats. Toen ik in een memo het woord ‘invasie’ gebruikte, veranderde mijn directie-chef dat in ‘actie’, alsof er iets minder ernstigs aan de hand was. Deze ‘actie’ is, met onderbrekingen, bijna een halve eeuw later nog steeds gaande, waarbij Israël grote aantallen mensen heeft gedood en kolossale verwoestingen heeft aangericht. Hezbollah bestond destijds nog niet; die beweging ontstond pas later als gevolg van de Israëlische invasie van Libanon in 1982. Net als Hamas: dat werd pas in december 1987 opgericht, kort na het uitbreken van de Eerste Intifada.

Ook de door Israël in 1967 bezette Palestijnse gebieden kregen steeds weer andere benamingen. Eerst sprak men van ‘bezette gebieden’, later van ‘bestuurde’ of ‘gehouden gebieden’, en uiteindelijk slechts van ‘de gebieden’, alsof er geen bezetting bestond. Tegelijkertijd werd de Westelijke Jordaanoever steeds vaker aangeduid met de Bijbelse namen Judea en Samaria. De toenmalig Israëlische premier Begin zei tijdens onze ontmoeting met minister Chris van der Klaauw in 1981 zelfs: ‘Hoe kunt u toch spreken van het bezetten van iets dat al van ons is?’

De Engelse tekst van VN-Veiligheidsraadresolutie 242 uit 1967 spreekt van terugtrekking uit ‘territories occupied in the recent conflict’, niet uit ‘the occupied territories’. Daardoor ontstond de indruk dat Israël zich mogelijk niet uit álle in 1967 bezette gebieden hoefde terug te trekken. Tegelijkertijd benadrukte dezelfde resolutie de ontoelaatbaarheid van gebiedsverwerving door oorlog. Dat impliceerde dus dat Israël zich volledig diende terug te trekken; maar de tekst werd bewust ambigu geformuleerd om de resolutie aanvaardbaar te maken. Deze ‘constructive ambiguity’ gaf Israël de ruimte om zich geleidelijk gebieden toe te eigenen en daar nederzettingen te vestigen, zonder enigerlei krachtig westers verzet.

Carrières beschadigd

Hoe gevoelig dit in Nederland lag, bleek begin 1974, toen de woordvoerder van de minister van Buitenlandse Zaken, Christian Thurkow, werd geschorst. Hij had publiekelijk gesuggereerd dat Israël zich uit alle bezette gebieden diende terug te trekken, wat tot kritiek in de Tweede Kamer leidde.

Van Syrische zijde was het perspectief destijds geheel anders. Toen ik in 1970 in Aleppo met iemand van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina sprak en verwees naar ‘de bezette gebieden’, vroeg hij geïrriteerd: ‘Welke bezette gebieden bedoelt u — die van 1948 of die van 1967?’ De Syrische media spraken toen nog uitsluitend over ‘bezet Palestina’ en de ‘zionistische entiteit’. Later verscheen ‘Israël’ tussen aanhalingstekens; uiteindelijk verdwenen zelfs die aanhalingstekens. Dat weerspiegelde de geleidelijke aanvaarding van de staat Israël, maar dan wel binnen de grenzen van vóór 1967.

Toen ik minister Van der Klaauw in 1978 naar Syrië vergezelde, vroeg de Syrische minister Abd al-Halim Khaddam of Nederland een Palestijnse staat zou steunen indien de Palestijnen dat zelf wilden. Nederland erkende toch het recht van volkeren op zelfbeschikking? Van der Klaauw antwoordde bevestigend, en hij meende dat ook. Ik nam dit waarheidsgetrouw op in het verslag, maar mijn directeur schrapte het ‘omdat je de minister tegen zichzelf in bescherming moest nemen’. Openlijke steun voor het idee van een Palestijnse staat zou destijds de binnenlandse positie van de minister ernstig hebben kunnen schaden.

Kritiek niet aanvaard

Tijdens mijn jaren bij Buitenlandse Zaken publiceerde ik wel over Syrië en Irak, onder meer over sektarisme, tribalisme en regionalisme — gevoelige thema’s in die landen. Binnen het ministerie leek dat nauwelijks problemen op te roepen. Bij Israël lag dat anders: kritiek werd niet gemakkelijk aanvaard, zeker niet in het openbaar. Intern sprak ik er wel over. Op een ambassadeursconferentie in 1984 hield ik een lezing over het Israëlische beleid dat erop gericht was het Midden-Oosten langs sektarische en etnische lijnen te hervormen — beleid waarvan de destructieve gevolgen later steeds duidelijker zijn geworden.

In 1981, toen ik in Beiroet was geplaatst, werd ik secretaris van de Midden-Oostenmissie van het Nederlandse Europese voorzitterschap. Ik vergezelde minister Van der Klaauw bijna vijf maanden lang bij bezoeken aan Israël en veertien Arabische landen. Het was een unieke ervaring, waarschijnlijk de meest uitgebreide Europees-Midden-Oosterse missie ooit. Wij spraken met koningen, presidenten, sjeiks, sultans, emirs, premiers en ministers. Maar wat is er, zo’n vijfenveertig jaar later, van deze en latere Europese inspanningen terechtgekomen? Ik vrees: niets positiefs. Israëlische opvattingen over ‘gerechtigheid’ zijn diametraal tegengesteld gebleven aan die van de meeste Arabieren, waardoor een werkelijk compromis vrijwel onmogelijk werd.

Achteraf kan men zich afvragen wat het nut was van al die diplomatieke inspanningen. Het is bijna zestig jaar geleden sinds de oorlog van juni 1967. Wat is sindsdien verbeterd? Vanuit Palestijns en Arabisch perspectief is de situatie juist ernstig verslechterd. De belangrijkste reden is dat bijna alles van Israël werd getolereerd en door sommigen zelfs aangemoedigd.

Naïviteit en wishful thinking

Ik heb mij vaak afgevraagd of we dit alles niet reeds tientallen jaren geleden hadden kunnen zien aankomen. Wij namen de Israëli’s in 1981 serieus en hoopten, achteraf gezien naïef, dat zij in het belang van vrede ontvankelijker zouden worden voor redelijkheid. Maar men zou ook kunnen zeggen dat wij hen juist helemaal niet serieus namen, omdat wij hoopten dat zij iets anders zouden doen dan wat zij steeds verkondigden te willen doen. Wishful thinking was wijdverbreid — en is dat nog steeds.

Het Palestijns-Israëlische conflict duurt onverminderd voort, zonder bevredigende oplossing in zicht. Integendeel, de situatie verslechtert. De meeste westerse landen dragen daarvoor medeverantwoordelijkheid door hun decennialange tolerantie en steun aan Israël, en door hun onwil om de beginselen en verdragen toe te passen die zij zelf hebben onderschreven. Het probleem is niet een gebrek aan veroordelende verklaringen, maar een gebrek aan bereidheid om de bestaande macht daadwerkelijk te gebruiken.

In 1998, toen ik ambassadeur in Turkije was, publiceerde ik samen met journalist Jan Keulen De vrede die niet kwam. Het boek ging over Palestina en Israël, maar ook over mijn ervaringen in Libanon, Jordanië, Libië, Irak en Egypte. Ik legde het manuscript niet vooraf aan het ministerie voor, omdat ik verwachtte dat men dan om ingrijpende veranderingen en schrappingen zou vragen. Bovendien zou voorafgaande voorlegging gedeelde verantwoordelijkheid met het ministerie hebben geïmpliceerd, wat ik wilde vermijden.

Toen mijn eerste interviews over het boek verschenen, belde de persafdeling van het ministerie met de vraag waarom ik het boek niet eerder had voorgelegd. Ik antwoordde: ‘Wees blij dat ik het u niet vooraf heb gestuurd — anders had u er nu commentaar op moeten geven.’ Verdere problemen deden zich niet voor. Kort daarna werd ik benoemd tot ambassadeur in Duitsland, een van de belangrijkste Nederlandse posten.

Koloniaal racisme

Het blijft verbijsterend hoe een groot deel van de westerse wereld zo blind heeft kunnen zijn — en nog steeds doet alsof het blind is — voor Israëlische oorlogsmisdaden, bezetting, mensenrechtenschendingen, etnische zuivering, racistische discriminatie, schendingen van internationaal recht, bedrog en leugens. Een groot deel van de westerse wereld is al meer dan tachtig jaar in de greep van Israëlische hasbara-propaganda, koloniaal racisme en een misplaatst schuldgevoel. De zionisten hebben dit spel slim gespeeld, maar hun valse narratieven beginnen te ontrafelen.

Nikolaos van Dam is lid van de Raad van Advies van The Rights Forum en voormalig Nederlands ambassadeur in Indonesië, Duitsland, Turkije, Egypte en Irak, en Speciaal Gezant voor Syrië. Als jonge diplomaat diende hij in Libanon, Jordanië, de Palestijnse Bezette Gebieden en Libië. Hij is de auteur van onder andere The Struggle for Power in Syria (2011), Destroying a Nation: The Civil War in Syria (2017) en My Diplomatic Journeys in the Arab and Islamic Worlds (2026). Dit artikel is in uitgebreidere vorm verschenen in The New Arab, “The Zionist false narratives are beginning to unravel”, op 2 juni 2026.

© 2007 - 2026 The Rights Forum / Privacy Policy