Martijn de Rooi / Israëlische bezetting maakt Palestijnse welvaart onmogelijk

Wie de Palestijnen economische voorspoed gunt moet zorgen dat er een eind komt aan de bezetting, laten studies van de Wereldbank en de VN zien.

Israëlische bezettingstroepen takelen een kliniekje weg waarmee Artsen Zonder Grenzen medische zorg bood in afgelegen Palestijnse dorpen in het C-gebied van de Westelijke Jordaanoever, 12 juli 2021. De reden: Artsen Zonder Grenzen zou niet over een vergunning van de bezettingsautoriteiten beschikken om zorg te verlenen. Zulke vergunningen worden zelden of nooit verstrekt. [c] B’Tselem / Nasser Nawaj’ah 

Van de absurde verwijten die je naar je hoofd krijgt als je gekant bent tegen de Israëlische bezetting van Palestijns gebied, is de beschuldiging dat je over de ruggen van de Palestijnen een ‘anti-Israëlisch’ punt probeert te scoren de meest perfide. In een opiniestuk op The Post Online verlaagt Jos Hummelen zich tot dat niveau. De beleidsmedewerker van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) verwijt The Rights Forum, waarvoor ik werkzaam ben, ‘de Palestijnen op te offeren om het duivelse Israël aan te vallen’.

Met zijn uithaal reageert Hummelen op het onderzoeksrapport Don’t Buy into Occupation, dat wij samen met 25 andere ngo’s, waaronder een aantal Palestijnse, drie weken geleden publiceerden. Daarin onthulden we dat 672 Europese financiële instellingen de afgelopen jaren ruim 219 miljard euro investeerden in bedrijven die actief zijn in de illegale Israëlische kolonies (‘nederzettingen’) in bezet Palestijns gebied. Daarmee negeren die instellingen hun verantwoordelijkheid op het terrein van de mensenrechten, zoals vastgelegd in gedragscodes als de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, en maken zij zich medeplichtig aan een koloniseringsproject dat door de VN-Veiligheidsraad in een reeks bindende resoluties is veroordeeld en onder internationaal recht geldt als een oorlogsmisdaad. Onder de 672 instellingen zijn acht Nederlandse: ING, ABN Amro, Rabobank, Van Lanschot Kempen, Aegon, NN Group, ABP en PFZW.

Propaganda

Wij spreken de instellingen op die medeplichtigheid aan, en dat is tegen het zere been van activisten als Hummelen. Verzet tegen de al 54 jaar durende bezetting en illegale kolonisering heet in hun kringen ‘anti-Israëlisch’. ‘Pro-Israëlisch’ ben je als je het onrecht steunt of op z’n minst gedoogt, en de bedrijven en financiers die het faciliteren – en ervan profiteren – hun gang laat gaan. De term ‘bezetting’ kom je in Hummelens betoog niet tegen. Net als in de propaganda van zijn werkgever wordt de bezetting zorgvuldig verzwegen.

Hummelen gaat nog een forse stap verder door te suggereren dat de Palestijnen het zo slecht nog niet hebben onder Israëlische overheersing. Levert het koloniseringsproject immers geen werkgelegenheid en infrastructuur op waarvan ook zij profiteren? En dragen de bedrijven en financiers die het project gaande houden dus niet bij aan de Palestijnse welvaart? Hummelen wil zelfs doen geloven dat Israëli’s en Palestijnen ‘samen iets opbouwen’ en met ‘pragmatische oplossingen’ stappen richting vrede zetten.

In deze parallelle werkelijkheid valt de bezetter en de medeplichtige bedrijven niets te verwijten, maar ons des te meer, en dat zullen we weten ook. Onder het motto shoot the messenger gaat Hummelen er met gestrekt been in, opnieuw volgens beproefde CIDI-receptuur – zie daarvoor ook het net verschenen rapport van het European Legal Support Center (ELSC).

Volgens Hummelen kan het ons ‘niets schelen hoeveel Palestijnen straatarm worden’. Wij zouden zelfs vinden dat in bezet gebied ‘niemand water mag leveren of wegen mag bouwen’. Wij zijn volgens hem ‘tegen gewone Palestijnen’ en ‘tegen vrede’, en onder de dekmantel van mensenrechten slechts uit op het ‘zwartmaken’ van Israël. En zwartmaken is uit den boze vindt Hummelen, die ons verder afschildert als ‘hobbyisten’ en ‘studeerkameractivisten’ die in ‘de Amsterdamse grachtengordel’ wonen en ‘hun ideologie dragen als een hip Palestijnensjaaltje van een dubieuze fabriek in China’.

Feiten

De feiten stellen Hummelen in het ongelijk. Welvaart is onder de Palestijnen in bezet gebied voorbehouden aan de happy few. Op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem is de werkloosheid viermaal zo hoog als in Israël. Eén op de drie Palestijnen leeft er beneden de armoedegrens, en eenzelfde aantal is aangewezen op internationale humanitaire hulp. En dat komt niet door ons, maar door de Israëlische bezetting.

In een geruchtmakend rapport concludeerde UNCTAD, het VN-orgaan voor handel en ontwikkeling, in 2019 dat de bezetting iedere duurzame Palestijnse economische ontwikkeling onmogelijk maakt. In 2013 kwam de Wereldbank in een eigen studie tot dezelfde conclusie. Wie de Palestijnen welvaart gunt moet zorgen dat er een eind komt aan de bezetting, is de eenvoudige boodschap.

Alleen al aan belastinginkomsten loopt de Palestijnse Autoriteit (PA) vanwege de bezetting jaarlijks ten minste 2,4 miljard euro mis, becijferde UNCTAD. Daarmee had de PA in de onderzochte periode 2000-2017 twee miljoen banen kunnen scheppen, en zou het Palestijnse BBP (Bruto Binnenlands Product) 32 procent hoger zijn uitgevallen. Nu verdween het geld grotendeels in Israëlische zakken, door gesjoemel, smokkel en niet-naleving van de Oslo-akkoorden.

De Wereldbank bekeek de wurgende restricties voor Palestijnen in het door Israël bestuurde C-gebied van de Westoever, en concludeerde dat die de Palestijnse economie jaarlijks circa 2,9 miljard euro kosten. Het C-gebied beslaat 60 procent van de Westoever en had krachtens de Oslo-akkoorden al in 1997 goeddeels aan de Palestijnen moeten zijn overgedragen, aldus de bank. Bijna 25 jaar later wordt het door Israël geëxploiteerd, zowel ten bate van de immer uitdijende illegale nederzettingen als van Israël zelf. Van de ontwikkelingsmogelijkheden op het terrein van onder andere landbouw, toerisme, de bouwsector en het beheer van natuurlijke hulpbronnen wordt de Palestijnse bevolking doelbewust zo goed als uitgesloten.

Het zijn niet de enige factoren die Palestijnse ontwikkeling in de weg staan. Directe schade ondervindt de Palestijnse economie ook van militaire acties, de beperking van vrij verkeer naar en op de Westoever – denk aan de Israëlische vergunningensystemen en de honderden checkpoints en wegafsluitingen – en de sloop van Palestijnse gebouwen, schooltjes, boomgaarden, landbouwareaal en Europese humanitaire projecten. Met hun terreur tegen de inheemse bevolking dragen ook Israëlische kolonisten een steentje bij.

Verkeerde kant geschiedenis

Wat het betekent om onder Israëlische bezetting te leven kunnen ze Hummelen ook vertellen in de vele Palestijnse dorpen in het C-gebied die het, in tegenstelling tot de omringende nederzettingen, zonder elektriciteit en stromend water moeten stellen. Op zulke voorzieningen hebben zij geen recht, vinden de Israëlische autoriteiten. Leggen de bewoners zelf een waterleiding of elektriciteitsvoorziening aan, dan verschijnt het Israëlische leger om de boel af te breken. Met andere infrastructuur – wegen bijvoorbeeld – gebeurt geregeld hetzelfde.

Dat Hummelen uitgerekend het Israëlische waterbedrijf Mekorot opvoert als voorbeeld van de zegenrijke invloed van de bezetting is meer dan cynisch. Water is een van de natuurlijke hulpbronnen waarover de Palestijnen nauwelijks zeggenschap hebben. Veel Palestijnse boeren kampen met een chronisch watertekort. Voor huishoudelijk gebruik ontvangen Palestijnen in bezet gebied gemiddeld zo’n zeventig liter water per persoon per dag van Mekorot. Dat is dertig liter minder dan het door de Wereldgezondheids­organisatie geadviseerde minimum, en 230 liter minder dan de Israëlische kolonisten. Die krijgen gemiddeld driehonderd liter per dag.

Dat tegen deze economische achtergrond duizenden Palestijnen blij zijn met een baantje in een nederzetting, een steengroeve of in Israël zelf is geen wonder. Maar een model voor Palestijnse welvaart is het zeker niet, en het maakt de consequente schending van hun mensenrechten niet minder laakbaar en de bezetting en kolonisering van hun land niet minder illegaal. Aan de Israëlische overheersing dient na 54 jaar een eind gemaakt te worden, en dat geldt ook voor de medeplichtigheid van Europese bedrijven en financiële instellingen. Zij staan, net als Jos Hummelen en het CIDI, aan de verkeerde kant van de geschiedenis.

Dit artikel verscheen eerder op The Post Online.