Europese Unie / Etikettering van producten uit nederzettingen lijkt een kleine stap voorwaarts, maar is een stap achterwaarts

De kans is reëel dat producten uit Israëls illegale nederzettingen voortaan een eigen etiket moeten krijgen in plaats van het misleidende ‘Made in Israel’. Morgen spreekt het Europese Hof van Justitie zich daarover uit. Maar de winst voor de consument wordt overschaduwd door het feit dat met de etikettering een illegale praktijk wordt gelegitimeerd. Alleen een verbod op handel met de nederzettingen kan een einde maken aan die praktijk. De etiketteringskwestie in zeven vragen.

Palestijnse vrouw op de bezette Westelijke Jordaanoever roept op tot een handelsverbod met de illegale Israëlische nederzettingen. [c] Foundation for Middle East Peace  

Waar gaat het om?

Dinsdag 12 november spreekt het Hof van Justitie van de Europese Unie zich uit over de vraag of producten uit de Israëlische kolonies (‘nederzettingen’) in bezet Palestijns en Syrisch gebied (de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en de Golan-hoogvlakte) een specifiek etiket moeten krijgen, waarmee hun herkomst wordt aangeduid. Tot dusver liggen de producten veelal met het opschrift ‘Made in Israel’ of ‘Product uit Israël’ in de Europese winkels.

De EU beschouwt de nederzettingen niet als deel van Israël. Net als de VN beoordeelt Europa – en de Nederlandse regering – ze als illegaal en een groot obstakel voor vrede. Israël heeft zich echter nooit iets aangetrokken van de talloze VN-resoluties waarin het is opgeroepen de kolonisering te staken, en sinds de bezetting van de gebieden in 1967 hebben zich alleen al in Palestijns gebied circa driekwart miljoen Israëlische kolonisten gevestigd. Het nederzettingenproject gaat gepaard met militaire bezetting en massieve schendingen van de mensenrechten. In het oprichtingsstatuut van het Internationaal Strafhof – het Statuut van Rome – wordt de kolonisering van bezet gebied aangemerkt als een oorlogsmisdrijf.

Officieel voert Europa een ‘differentiatiebeleid’, waarin nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen Israël en de kolonies. In de praktijk echter staat het toe dat producten uit de nederzettingen hun weg vinden naar de Europese consument. Daarmee draagt de EU actief bij aan de economische ontwikkeling van de kolonies.

Bovendien tolereert Europa dat de producten als ‘Israëlisch’ worden verkocht. Onder die vlag profiteren de nederzettingen ten onrechte van de handelsvoordelen die het Associatieverdrag tussen de EU en Israël biedt. Zeker zo kwalijk is dat op deze wijze de consument wordt misleid: in de overtuiging een Israëlisch product aan te schaffen leveren consumenten onbewust een bijdrage aan het nederzettingenproject.

 

Er bestaan toch EU-richtlijnen?

Klopt. Na jarenlange protesten tegen de contraproductieve en misleidende Europese praktijk vaardigde de Europese Commissie in 2015 richtlijnen uit voor de etikettering van producten uit de kolonies, zoals groente, fruit, kruiden, dadels, wijn, plastics en cosmetica. Die zouden moeten worden voorzien van een aanduiding als ‘Product van de Westelijke Jordaanoever, Israëlische nederzetting’. Het was aan de lidstaten, waaronder Nederland, erop toe te zien dat het bedrijfsleven de richtlijnen naleefde.

Van naleving is echter nauwelijks sprake, van handhaving evenmin. Afgelopen juli werd de organisatie Christenen voor Israël op de vingers getikt wegens het als ‘Israëlisch’ verkopen van nederzettingenproducten, maar dat is uitzonderlijk. Bovendien betekenden de richtlijnen een impuls voor een al bestaande praktijk: het verdoezelen van de herkomst van de producten. Met steun van de Israëlische regering worden sluipwegen tot stand gebracht waarlangs nederzettingenproducten op de Europese markt worden gebracht. Onlangs besteedden wij aandacht aan dadels uit de nederzettingen die als ‘Nederlandse dadels’ in de winkels belanden. Eerder wezen we herhaaldelijk op de fraude met zogenaamde ‘Israëlische’ wijnen.

In Frankrijk leidden de richtlijnen tot een juridische procedure, die tot het Europese Hof van Justitie reikte. Nadat de Franse regering de richtlijnen in 2016 officieel bekend had gemaakt, werd bij een Franse rechter om vernietiging van de kennisgeving gevraagd door de Israëlische wijnmakerij Psagot, die is gevestigd in de gelijknamige illegale nederzetting op de Westelijke Jordaanoever, en een joodse organisatie, de Organisation Juive Européenne.

De zaak belandde op het bord van de Franse Raad van State, die zich moet uitspreken over de vraag of de kennisgeving in overeenstemming is met het recht van de Europese Unie, het Unierecht. Daartoe wendde de raad zich tot het Europese Hof van Justitie met de concrete vraag of dat recht vereist dat nederzettingenproducten als zodanig worden gelabeld. Het is die vraag waarop dinsdag een antwoord komt.

 

Wat is de verwachting?

In een juridisch advies aan de rechters schreef de Ierse rechter Gerard Hogan, advocaat-generaal bij het hof, in juni dat zo’n speciaal etiket op grond van het Unierecht vereist is – wij berichtten er destijds over. Hogan concludeerde onder meer dat informatie op voedingsmiddelen niet misleidend mag zijn. Zulke informatie moet de ‘gemiddelde, redelijk geïnformeerde en oplettende consument’ in staat stellen tot overwogen aankopen. Daarbij dient ook rekening te worden gehouden met ‘ethische overwegingen’ van de consument. Hogan wijst als voorbeeld op de bezwaren van consumenten tegen de aankoop van producten uit Zuid-Afrika ten tijde van de apartheid.

Het hoeft niemand te verbazen, schrijft hij, dat consumenten bezwaar hebben tegen de aankoop van producten uit de illegale nederzettingen. De Israëlische bezetting en kolonisering van Palestijns gebied vormen immers een grove schending van het internationaal recht, dat door zeer velen wordt beschouwd als een hoeksteen van de internationale vrede en veiligheid. Dat geldt in het bijzonder voor Europeanen, die de afgelopen eeuw aan den lijve hebben ondervonden hoe belangrijk dat recht is, aldus Hogan.

Bovendien, stelt hij, vormt een schending van het internationaal recht een criterium dat ‘de Uniewetgever als legitiem heeft erkend met betrekking tot het vereiste om informatie over het land van oorsprong te verstrekken’. In een eerder arrest (het ‘Britta-arrest’) heeft het Hof van Justitie ‘zelf al erkend dat er een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen producten van oorsprong uit Israël en producten van oorsprong uit de Westelijke Jordaanoever’.

Advocaten-generaal als Hogan hebben tot taak het Hof van Justitie in volledige onafhankelijkheid een juridische oplossing voor een geschil voor te leggen. Gewoonlijk wordt dat advies door de rechters overgenomen. De uitspraak van het hof is bindend voor de Franse Raad van State en andere rechterlijke instanties in EU-landen. De kans is derhalve groot dat de in 2015 door de Europese Commissie uitgevaardigde richtlijnen daadwerkelijk in Frankrijk en andere EU-lidstaten worden geïmplementeerd. En dat overheden, via instanties als de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), actief op naleving moeten gaan toezien.

 

Goed nieuws dus?

Het verplicht voorschrijven van speciale etiketten voor nederzettingenproducten lijkt een stap in de goede richting, maar is het niet. Positief is natuurlijk dat het recht van de consument op betrouwbare informatie wordt erkend. Maar dat valt in het niet bij het feit dat met de maatregel het nederzettingenproject in feite wordt gelegitimeerd. Ook met een correct etiket zijn de producten afkomstig uit illegale bron. En blijven winkeliers en consumenten die de producten afnemen die bron voeden, evenals de overheden die dat toestaan. Daarmee blijft de EU – en Nederland – meewerken aan een project dat ze zelf veelvuldig als illegaal en een groot obstakel voor vrede heeft bekritiseerd en dat volgens het Statuut van Rome een oorlogsmisdrijf is.

 

Wat is dan wel de oplossing?

In zijn advies aan het Hof van Justitie baseert Hogan zich op het internationaal recht. Datzelfde recht verplicht de EU ertoe alle banden met de nederzettingen te verbreken. Een jaar geleden riep The Rights Forum de Nederlandse regering daar expliciet toe op. Tegelijkertijd publiceerden wij het rapport VN-Veiligheidsraadresolutie 2334 en de consequenties voor Nederland, waarin de verplichtingen voor Den Haag op een rijtje zijn gezet. Eerder al bood The Rights Forum de Tweede Kamer een petitie – No More Business as Usual – van gelijke strekking aan. Afgelopen zomer riepen 34 Europese vakbonden de EU op tot een volledig handelsverbod met de nederzettingen.

Het recht laat aan duidelijkheid niets te wensen over. De Vierde Conventie van Genève bevat (artikel 49) een verbod op het koloniseren van bezet gebied, en dicteert de verplichtingen die de bij de Conventie aangesloten landen (en dat zijn vrijwel alle landen ter wereld, inclusief Nederland) hebben tegenover schenders van de Conventie. Zij dienen er ‘onder alle omstandigheden en met alle beschikbare middelen’ voor te zorgen dat schenders op het rechte pad worden gebracht. Laten zij dat na, dan schenden zij zelf de Conventie en ondermijnen zij de internationale rechtsorde.

In Den Haag, dat internationaal wordt beschouwd als de ‘Mondiale Hoofdstad van Vrede en Recht’, zouden die verplichtingen dubbele woordwaarde moeten hebben, helemaal gezien het beroemde artikel 90 van de Nederlandse Grondwet: ‘De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde.’ Op basis hiervan had Nederland alle banden met het nederzettingenproject in breedste zin allang moeten verbreken. Maar in de regering en de Tweede Kamer, en ook in Brussel, stuit handhaving van het recht op brede politieke tegenstand als het om Israël gaat.

 

Staat het toestaan van import uit de nederzettingen op zichzelf?

Nee, de negatieve Nederlandse betrokkenheid bij de Palestijns-Israëlische kwestie reikt aanzienlijk verder. Onlangs meldden we dat de Nationale Politie, in navolging van het ministerie van Defensie, een overeenkomst heeft gesloten met het Israëlische militaire bedrijf Elbit, dat tot over de oren betrokken is bij de bezetting en kolonisering van Palestijns gebied en de onderdrukking van de bevolking. Eind 2017 verleende de Nederlandse ambassade in Tel Aviv medewerking aan een promotie-actie van de Israëlische supermarktketen Shufersal, die volop actief is in de illegale nederzettingen. Ook lagere overheden verlenen steun aan het nederzettingenproject, zoals de Metropoolregio Rotterdam Den Haag, die busmaatschappij EBS aan werk hielp.

Het feitelijke Nederlandse en Europese beleid staat haaks op de eigen beleidsuitgangspunten en de daarop gebaseerde formule voor een ‘rechtvaardige, duurzame en alomvattende vrede tussen Israëli’s en Palestijnen’ – de beroemde tweestatenoplossing. Die wordt door Israël welbewust en vakkundig ‘vermoord’, zoals we het onlangs in een analyse noemden.

In juni 2016 nam de Tweede Kamer weliswaar een motie aan waarin de regering werd opgeroepen concrete maatregelen te nemen, ‘bijvoorbeeld door opschorting van bilaterale of Europese samenwerkings­overeenkomsten’, wanneer Israëli’s of Palestijnen ten aanzien van de tweestatenoplossing ‘ondermijnend beleid blijven voeren’. Maar zelfs toen premier Netanyahu de annexatie van Palestijns gebied aankondigde en Israël groen licht gaf voor de bouw van nog eens 2342 woningen in nederzettingen, bleven in Den Haag de armen over elkaar.

 

Heeft het bedrijfsleven niet een eigen verantwoordelijkheid?

Ja. Op basis van internationale gedragscodes op het terrein van maatschappelijk verantwoord ondernemen dienen bedrijven afstand te bewaren tot partijen die betrokken zijn bij illegale praktijken en schendingen van de mensenrechten, en derhalve tot de nederzettingeneconomie in de breedste zin van het woord.

Centraal element in conventies als de UN Guiding Principles on Business and Human Rights, de OESO-richtlijnen en het Nationaal Actieplan bedrijfsleven en mensenrechten is dat bedrijven ervoor dienen te zorgen dat niet alleen zijzelf, maar ook hun toeleveranciers en andere partners schone handen hebben. Is een partner direct of indirect betrokken bij mensenrechtenschendingen en niet tot beterschap bereid, dan zit er niets anders op dan afstand te bewaren. Wie niettemin met zo’n partner in zee gaat, raakt in de klassieke dubbelrol van ondersteuner en profiteur zélf betrokken bij die schendingen. De gedragscodes vormen integraal onderdeel van het Nederlandse mensenrechtenbeleid en gelden ook voor overheden.

De praktijk laat echter zien dat veel bedrijven zich daar, net als de overheden, niets van aantrekken. Voorbeelden zijn de Nederlandse bedrijven die de nederzettingenproducten importeren en verkopen, organisaties als Christenen voor Israël die zulke producten fanatiek promoten, en Nederlandse bedrijven die hun goederen in de nederzettingen te koop aanbieden. Andere voorbeelden zijn het in Amsterdam gevestigde en van oorsprong Nederlandse Booking.com, dat vakantieaccommodaties in de nederzettingen aanbiedt, en de pensioenfondsen ABP en PFZW, die door beleggingen in Israëlische banken investeren in de woningbouw in de nederzettingen en de verschaffing van hypotheken aan kolonisten.

Steeds weer blijkt dat het Nederlandse bedrijfsleven en de Nederlandse overheid bereid zijn hun verantwoordelijkheden te negeren en bij te dragen aan illegale praktijken en schendingen van de mensenrechten. En steeds opnieuw roept dat de vraag aan onze volksvertegenwoordigers op welke betekenis het mensenrechtenbeleid, de genoemde gedragscodes, het Europese ‘differentiatiebeleid’ en de pleidooien voor een rechtvaardige vrede op basis van de tweestatenoplossing eigenlijk hebben.

Waardeert u ons journalistieke werk? Help ons dat voort te zetten.

Lees ook