Marlisa Hommel en Eva Prins staan vandaag voor de rechter om zich te verantwoorden voor lijm- en plakacties bij het Israëlcentrum in Nijkerk. Hoe kijken ze terug op hun acties? Wat hebben ze bereikt? The Rights Forum vroeg het ze.

Marlisa Hommel heeft al twee nachten slecht geslapen. Vandaag staan zij en Eva Prins voor de rechter voor vernieling en openlijke geweldpleging omdat ze, onder andere, leuzen en posters hebben aangebracht op het Israëlcentrum in Nijkerk. Hommel: ‘Het lijkt wel of ik een heftige crimineel ben, terwijl onze actie vreedzaam was.’
Prins schiet in de lach als ze eraan denkt hoe zij en Hommel in juli 2024 onderweg waren naar het bedrijventerrein in Nijkerk, waar het Israëlcentrum ligt. Zowel Christenen voor Israël (CvI) als het Israël Producten Centrum (IPC) zijn hier gevestigd. ‘We zaten met z’n tweeën op één fiets, op een zondagochtend om half zeven’, zegt ze. ‘We hadden de auto wat verderop gezet zodat die niet op eventuele camerabeelden vastgelegd zou worden.’
Veel spullen hadden ze niet bij zich. Posters met daarop de tekst ‘Ingenomen door kolonisten’, een poster met een foto van een rouwende Palestijnse vader met zijn jonge kind, plakband, lijm, krijtspray, roodwit afzetlint, bietenpoeder. Ze spanden een lint voor het gebouw, de posters plakten ze op de ramen en met krijtspray kalkten ze kruizen op de voordeur en de ramen. De lijm spoten ze in een slot van een zijdeur; de schuifdeuren van de hoofdingang hadden geen traditioneel slot.
Daarna sprongen ze weer op de fiets, in de auto en reden naar het Militair Museum in Soest. Daar gooiden ze bietenpoeder in een waterspeelplaats, die daardoor rood kleurde. Ze maakten een foto met een straaljager op de achtergrond en verspreidden die via sociale media. Voor beide acties staan ze nu terecht. Hommel moet zich ook verantwoorden voor het smeren van ketchup op de ramen van het CIDI in Den Haag, eerder dit jaar, en voor het schrijven, met makkelijk afwasbare krijtspray, van ‘Stop de kindermoord’ op de stoep voor het Israëlcentrum vorig jaar.
De bedoeling van de acties was, zeggen ze, om de aandacht te vestigen op de activiteiten van CvI en het IPC. ‘Het IPC verkoopt spullen die in de illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever zijn gemaakt, zoals wijn en dadels’, zegt Prins. ‘Daarmee steunen ze de kolonisten en de bezetting. Door een slot dicht te lijmen, wilden we ze ook een klein beetje laten voelen hoe het is als je plotseling je huis niet meer binnen kunt. Dat ervaren Palestijnen in het groot als hun huis wordt onteigend, als het plat wordt gebulldozerd, als ze alles kwijt raken wat ze hebben.’
Destijds, in 2024, waren die activiteiten van CvI en IPC minder bekend dan nu. De schijnwerper kwam nadrukkelijk op christelijke pro-Israël-organisaties te staan door een onderzoek van BOOS, het Nederlands Dagblad en Investico in maart vorig jaar. Dat legde bloot dat er vanuit CvI geld naar illegale kolonisten werd overgemaakt dat ook voor wapens gebruikt kon worden. Destijds was het beleid van de Nederlandse regering dat handel met de illegale nederzettingen werd ‘ontmoedigd’.
Volgende week, op 22 september, worden sancties van kracht en is handel in goederen met de illegale nederzettingen verboden. Het IPC, dat flink geraakt wordt door de sancties, verloor deze week een kort geding om ze van tafel te krijgen.
Denken Hommel en Prins dat hun acties in 2024 hielpen om te komen tot de sancties? ‘De wet zegt nu wat wij toen al vonden en waarvoor we in actie kwamen’, zegt Hommel. ‘Of onze actie direct geholpen heeft, weten we natuurlijk niet, maar ik denk wel dat er verschillende vormen van activisme nodig zijn om iets te bereiken voor mensenrechten.’
Ze typeert haar eigen acties als ‘medium-radicaal’: ‘Met alleen een spandoek trek je geen aandacht meer, dus gingen we een stap verder. Maar we hebben niets kapot gemaakt, het was vreedzaam.’ Prins: ‘Laten we onze actie ook niet groter maken dan die is. Ik bedoel, weet je hoeveel ernstige misdaden het Openbaar Ministerie laat liggen? En dan worden wij wél vervolgd? Dat legt iets bloot, namelijk dat er een onevenredig sterk vergrootglas ligt op pro-Palestijns activisme. Waarom is het controversieel om je uit te spreken tegen genocide?’
Voor Prins speelt er nog iets anders. Ze is zelf joods, en het stoort haar, zegt ze, dat Christenen voor Israël en het Israël Producten Centrum ‘pretenderen solidair te zijn met het Joodse volk’. Prins: ‘In werkelijkheid doen ze het tegenovergestelde. Ze gooien Israël en joden op één hoop, waarmee ze joodse mensen medeverantwoordelijk maken voor wat Israël doet. Dat wakkert antisemitisme aan.’Ze merkt wel eens dat deze christenen worden gezien als een soort ‘wappies uit de biblebelt’, zegt ze, die je niet te serieus zou moeten nemen. ‘Maar er zit veel geld achter en ze hebben veel invloed. Niet alleen in Nederland via de ChristenUnie en de SGP, maar ook internationaal. Ze instrumentaliseren joden voor hun eigen agenda.’
Over de uitkomst van de rechtszaak willen Hommel en Prins niet speculeren. De kans dat ze straks met een strafblad zitten, is aanwezig. Prins: ‘Dat is dan maar zo. Ik heb er eerlijk gezegd niet zo bij stilgestaan dat het tot een rechtszaak en misschien een veroordeling zou kunnen komen. We hebben ook onze gezichten niet bedekt tijdens de acties, het staat gewoon op camera en we gaan het ook niet ontkennen. Ik sta achter wat ik heb gedaan.’
Hommel: ‘Ik vind het prima verantwoording te nemen voor mijn daden. Dat is deel van mijn activisme. Blijkbaar hebben we een gevoelige snaar geraakt. En ja, ik ga door met actie voeren. Ik ben toch geen activist om me te laten afschrikken?’