Schendingen

Anders dan een wijdverbreide voorstelling van zaken wil, is er in de kwestie-Palestina/Israël geen sprake van twee partijen die in vergelijkbare mate inbreuk maken op elkaars rechten. De kern van de kwestie is de Israëlische bezetting en kolonisering van Palestijns gebied, die gepaard gaat met schendingen van een scala aan rechten van de overheerste Palestijnse bevolking. Dat ook Palestijnen zich schuldig maken aan schendingen van het recht is evident, maar staat in geen verhouding tot de Israëlische onderdrukking van miljoenen Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever, in Oost-Jeruzalem en in Gaza.

De bezetting: schending van het oorlogsrecht

De Israëlische rechtsschendingen hebben hoofdzakelijk betrekking op twee deelgebieden van het internationaal recht: de universele mensenrechten en het internationaal humanitair recht. Het internationaal humanitair recht is uitsluitend van toepassing op gewapende conflicten en wordt om die reden ook oorlogsrecht genoemd. Het is primair bedoeld om onnodig lijden te minimaliseren en bescherming te bieden aan personen die niet (meer) deelnemen aan vijandelijkheden, onder wie burgers die onder bezetting leven.

Onder dit recht heeft een bezettende mogendheid weliswaar bepaalde rechten, maar minstens zoveel plichten. Ze geldt als tijdelijk, ‘waarnemend’ bestuurder van het bezette gebied en dient de zaken in het gebied zoveel mogelijk bij het oude te laten. Het aanbrengen van permanente veranderingen is alleen toegestaan om dwingende militaire redenen of ten bate van de bevolking. Een bezetting doet geen afbreuk aan de soevereine rechten van de bewoners van het bezette gebied, en de bezetter dient zowel het internationaal recht als de plaatselijke rechtsregels in acht te nemen.

De bezetter is verder in hoge mate verantwoordelijk voor het welzijn van de bevolking. Hij dient onder andere de openbare orde en veiligheid te garanderen, voor levensmiddelen, medicijnen en medische faciliteiten te zorgen als daar gebrek aan bestaat, en mee te werken aan hulpverlening door externe partijen als die noodzakelijk is. Dit alles met bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen binnen de samenleving, met name kinderen.

Het moge duidelijk zijn (zie het dossier De kwestie-Palestina/Israël) dat het Israëlische bezettingsregime zich weinig van deze verplichtingen aantrekt en alleen al met zijn grootschalige koloniseringsproject de Westoever en Oost-Jeruzalem in ieder opzicht van karakter verandert. Met zijn bezettingspolitiek schendt Israël dus (onder andere) het internationaal humanitair recht.

De Israëlische regering wijst vrijwel iedere verantwoordelijkheid af en stelt dat er eigenlijk geen sprake is van een bezetting. Ze betoogt dat Israël recht heeft op het bezette Palestijnse gebied, en dat de status daarvan dus niet die van ‘bezet gebied’, maar hooguit van ‘betwist gebied’ is. Deze voorstelling van zaken is van meet af aan verworpen door de internationale gemeenschap, en vindt alleen weerklank in kringen van wat ‘de bezettingslobby’ wordt genoemd: het internationale conglomeraat van politici, pressiegroepen en donoren dat stelt dat Israël (of preciezer: ‘het joodse volk’) om religieuze of ideologische redenen recht heeft op Palestijns gebied.

Van de EU tot de VS tot Nederland: zelfs onder de meest loyale bondgenoten van Israël is geen regering die beweert dat er geen bezetting is. En van de Veiligheidsraad tot de Algemene Vergadering tot de Mensenrechtenraad: alle relevante VN-organen hebben de Westoever, Oost-Jeruzalem en Gaza in reeksen resoluties als bezet gebied aangemerkt, en Israël keer op keer gewezen op zijn verplichtingen als bezettende mogendheid. Bovendien hebben ze Israël eraan herinnerd dat het op gewelddadige wijze verwerven van gebied in strijd is met het VN-Handvest, waaraan het als lid van de VN gebonden is en in de eigen Onafhankelijkheidsverklaring trouw heeft gezworen. In 2004 concludeerde het Internationaal Gerechtshof in zijn eerdergenoemde rapport over de Israëlische ‘Afscheidingsmuur’ op de Westoever ten overvloede dat ‘all these territories (including East Jerusalem) remain occupied territories and Israel has continued to have the status of occupying Power’.

In de Israëlische nederzetting Gilo gaat het bouwen door. De Israëlische Afscheidingsmuur scheidt deze nederzetting van het Palestijnse Bethlehem op de Westbank. 10 maart 2012. Ryan Rodrick Beiler / Shutterstock.com

Illegale kolonisering

De genoemde verplichtingen voor een bezettende mogendheid vloeien voort uit twee beroemde verdragen: het Vierde Haagse Verdrag, inclusief het bijbehorende Haagse Landoorlogreglement, afgesloten tijdens de Tweede Haagse Vredesconferentie in 1907, en de Vierde Conventie van Genève van 1949, plus het Eerste Aanvullende Protocol bij de Conventies van Genève uit 1977. Beide zijn boegbeelden van het internationaal humanitair recht, uitdrukkingen van een sterk verlangen naar een vrediger wereld met een sterke internationale rechtsorde.

De Vierde Conventie van Genève bevat bovendien het beroemde verbod op het koloniseren van bezet gebied waarop de internationale gemeenschap − Nederland inbegrepen − zich in haar veroordelingen van Israëls nederzettingenbeleid baseert. Artikel 49 van de Conventie eindigt met het gebod:

The Occupying Power shall not deport or transfer parts of its own civilian population into the territory it occupies.

In vrijwel dezelfde bewoordingen zou het gebod in 1998 in het Statuut van Rome terechtkomen, het in VN-verband tot stand gekomen oprichtingsstatuut van het Internationaal Strafhof. Daarin heet het koloniseren van bezet gebied een oorlogsmisdaad:

For the purpose of this Statute, ‘war crimes’ means: […] The transfer, directly or indirectly, by the Occupying Power of parts of its own civilian population into the territory it occupies […].

Als ondertekenaar van de Vierde Conventie was Israël zich van meet af aan bewust van het verbod op kolonisering. Kort na de Zesdaagse Oorlog van juni 1967, waarin Israël de Westoever, Oost-Jeruzalem en Gaza veroverde, consulteerde de Israëlische premier Eshkol voor de zekerheid de juridisch adviseur buitenlandse zaken van zijn regering Theodor Meron, de huidige president van het Joegoslavië-Tribunaal. Hij vroeg Meron of het internationaal recht een ‘bezettende staat’ (op dat moment sprak de Israëlische regering zelf openlijk van een bezetting) mogelijkheden bood om het bezette gebied ‘te cultiveren’.

Het top secret schriftelijke advies van Meron hielp Eshkol definitief uit de droom: ‘joodse kolonisering’ van het bezette gebied zou een expliciete schending van de Vierde Conventie van Genève betekenen en niet door de internationale gemeenschap worden geaccepteerd, aldus Meron. Over de betekenis van het bewuste gebod in artikel 49 viel niet te twisten, stelde hij: ‘Het doel ervan is te voorkomen dat burgers van de bezettende staat zich in bezet gebied vestigen.’

Meron wees er bovendien op dat ook het Vierde Haagse Vedrag geen ruimte laat voor koloniale avonturen. Het in beslag nemen van particulier bezit (grond, woningen e.d.) in bezet gebied wordt daarin verboden, en wat publieke grond betreft heeft de bezetter slechts het recht van vruchtgebruik. Het Haagse Verdrag is, voegde Meron er voor de zekerheid aan toe, als kenmerkend voorbeeld van internationaal gewoonterecht bindend voor Israël.

Israël en de kolonisten wisten dus waaraan zij begonnen toen ze nog dezelfde maand de eerste zogeheten nederzetting stichtten: ze zochten niet alleen de confrontatie met de Palestijnen, die per definitie in Israëlisch voordeel zou uitvallen, maar ook met de in potentie oppermachtige internationale gemeenschap.

En Meron kreeg gelijk: die gemeenschap pikte het niet. Al sinds 1967 veroordeelt ze de nederzettingen als illegaal en een ernstig obstakel voor vrede. Het aantal kritische verklaringen en resoluties van regeringen en relevante VN-organen waarin Israël wordt gemaand de kolonisering van de Westoever en Oost-Jeruzalem direct te staken, is nauwelijks nog te tellen. Regelmatig gingen ze gepaard met de oproep de bestaande nederzettingen − en in elk geval alle ‘buitenposten’ − te ontmantelen.

Illustratief is een conclusie van de Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN in een rapport over Israëls nederzettingenbeleid uit oktober 2016:

Israeli settlement activities remain at the core of many human rights violations in the West bank, including east Jerusalem. The Secretary-General reiterates that Israeli settlements within the Occupied Palestinian Territory are illegal under international law.

Israel must implement all relevant United Nations resolutions, including Security Council resolution 497 (1981), and withdraw from territories occupied in 1967. The Israeli authorities must halt and reverse the creation and expansion of illegal settlements in the Occupied Palestinian Territory and in the occupied Syrian Golan built in violation of international humanitarian law and international human rights law.

In zijn bovengenoemde rapport over de Israëlische ‘Afscheidingsmuur’ stelde ook het Internationaal Gerechtshof − het meest gezaghebbende lichaam voor het interpreteren van het internationaal recht − dat niet alleen de muur (voorzover gebouwd op Palestijnse bodem) illegaal is en moet worden afgebroken, maar dat ook de nederzettingen illegaal zijn:

The Court concludes that the Israeli settlements in the Occupied Palestinian Territory (including East Jerusalem) have been established in breach of international law.

In zijn rapport verwierp het Hof een reeks argumenten waarmee de Israëlische regering wilde aantonen dat de bouw van de muur en de nederzettingen wél rechtmatig is − argumenten die Israël en de eerdergenoemde ‘bezettingslobby’ niettemin tot vervelens toe blijven herhalen, getuige bijvoorbeeld een rapportage van het Israëlische ministerie van Buitenlandse Zaken van eind 2015. Zo oordeelde het Hof dat het door Israël aangevoerde veiligheidsmotief voor de bouw van de muur − een motief dat Israël ook geregeld aanvoert voor de bouw van de nederzettingen − geen argument is om de muur niet op eigen grondgebied, maar op Palestijnse bodem te bouwen, en de Palestijnse bevolking ter weerszijden van de muur aan een onteigeningsregime te onderwerpen:

The Court considers that Israel cannot rely on a right of self‑defence or on a state of necessity in order to preclude the wrongfulness of the construction of the wall. The Court accordingly finds that the construction of the wall and its associated régime are contrary to international law.

Het Hof herinnerde in zijn conclusies alle staten ter wereld nadrukkelijk aan hun verplichting de illegale situatie niet te erkennen en er op geen enkele manier aan bij te dragen. Bovendien wees het alle staten die de Vierde Conventie van Genève hebben geratificeerd (en dat zijn vrijwel alle staten ter wereld) op de plicht ‘to ensure compliance by Israel with international humanitarian law as embodied in that Convention’.

Volgens artikel 1 van de Vierde Conventie hebben alle aangesloten staten niet alleen de verplichting zich aan de conventie te houden, maar ook om die ‘onder alle omstandigheden’ te handhaven: ‘The High Contracting Parties undertake to respect and to ensure respect for the present Convention in all circumstances.’ Staten die nalaten om overtreders ‘met alle beschikbare middelen’ tot de orde te roepen, ondermijnen zélf de Conventie en het humanitair recht, heet het in de toelichting op artikel 1:

It follows, therefore, that in the event of a Power failing to fulfil its obligations, the other Contracting Parties (neutral, allied or enemy) may, and should, endeavour to bring it back to an attitude of respect for the Convention. The proper working of the system of protection provided by the Convention demands in fact that the Contracting Parties should not be content merely to apply its provisions themselves, but should do everything in their power to ensure that the humanitarian principles underlying the Conventions are applied universally.

In de talloze resoluties waarin de VN Israëls politiek in bezet Palestina heeft veroordeeld, is Israël van meet af aan met de neus op zijn verplichtingen krachtens de Vierde Conventie gedrukt. In de laatste Veiligheidsraadresolutie − resolutie 2334 van 23 december 2016 − staat het als volgt:

The Security Council, […], reaffirming the obligation of Israel, the occupying Power, to abide scrupulously by its legal obligations and responsibilities under the Fourth Geneva Convention […].

In de resolutie veroordeelt de Raad de kolonisering van Palestijns gebied opnieuw in scherpe bewoordingen. Met zijn illegale activiteiten brengt Israël de levensvatbaarheid van een tweestatenoplossing gebaseerd op de grenzen van 1967 ernstig in gevaar en vestigt het een ‘éénstaat-realiteit’, aldus de Raad. Ze eist dat Israël het nederzettingenproject direct beëindigt en bevestigt eens temeer dat Israëls eenzijdige wijziging van de grenzen niet zal worden geaccepteerd. In dat verband roept ze de wereld op nadrukkelijk onderscheid te maken tussen het grondgebied van Israël en het sinds 1967 bezette gebied:

‘The Security Council, […]

  1. Reaffirms that the establishment by Israel of settlements in the Palestinian territory occupied since 1967, including East Jerusalem, has no legal validity and constitutes a flagrant violation under international law and a major obstacle to the achievement of the two-State solution and a just, lasting and comprehensive peace;
  2. Reiterates its demand that Israel immediately and completely cease all settlement activities in the occupied Palestinian territory, including East Jerusalem, and that it fully respect all of its legal obligations in this regard;
  3. Underlines that it will not recognize any changes to the 4 June 1967 lines, including with regard to Jerusalem, other than those agreed by the parties through negotiations;
  4. Stresses that the cessation of all Israeli settlement activities is essential for salvaging the two-State solution, and calls for affirmative steps to be taken immediately to reverse the negative trends on the ground that are imperilling the two-State solution;
  5. Calls upon all States, bearing in mind paragraph 1 of this resolution, to distinguish, in their relevant dealings, between the territory of the State of Israel and the territories occupied since 1967; […]’

In reactie op de resolutie beschuldigde de Israëlische regering de Raad ervan ‘anti-Israël’ te zijn en kondigde het de bouw van duizenden nieuwe woningen in de nederzettingen aan. Een regelrechte provocatie, die het zich kan veroorloven omdat de resolutie Israël geen sancties in het vooruitzicht stelt − in dat geval zou de Amerikaanse regering (toen nog onder president Obama) de resolutie met een veto hebben geblokkeerd.

De gang van zaken rond resolutie 2334 is kenmerkend voor de ontwikkeling van Israëls illegale nederzettingenbeleid sinds 1967. De internationale gemeenschap bekritiseert dat beleid in alle toonaarden en waarschuwt voortdurend dat Israël daarmee de tweestatenoplossing en het magere perspectief op vrede saboteert, maar laat Israël feitelijk zijn gang gaan. In de Veiligheidsraad blokkeert de VS op voorhand iedere maatregel om Israël tot het respecteren van het recht te dwingen. Andere partijen die potentieel gewicht in de schaal leggen − de EU bijvoorbeeld, en op bescheidener schaal Den Haag, de ‘Juridische Hoofdstad van de Wereld’ − steken geen hand uit en intensiveren zelfs de banden en samenwerking met Israël (zie het dossier Nederlandse en EU-politiek). De Palestijnen betalen de rekening.

Zo heeft het kunnen gebeuren dat zich inmiddels circa 700 duizend Israëlische kolonisten illegaal in bezet Palestina hebben gevestigd en dat het tweestatenconcept rijp is voor bijzetting in het Volkenrechtelijk Museum. Dat mag de internationale gemeenschap zich aantrekken. Door te verzuimen het recht te handhaven heeft zij zich niet alleen medeverantwoordelijk gemaakt voor de gang van zaken, maar ondermijnt zij bovendien zélf het internationaal recht.

Bokkade van Gaza: onwettige collectieve straf

Tijdens zijn grootschalige militaire aanvallen op Gaza in 2008, 2012 en 2014 maakte Israël zich schuldig aan schending van twee niet eerder genoemde basisprincipes van het internationaal humanitair recht: burgers mogen geen doelwit zijn van aanvallen, en schade die door militaire operaties wordt veroorzaakt moet proportioneel zijn, dat wil zeggen in verhouding staan tot het militaire voordeel dat daarmee wordt behaald.

Het merendeel van de circa vierduizend Palestijnse doden die tijdens de aanvallen vielen waren burgers. Velen van hen kwamen om het leven omdat het Israëlische leger geen of onvoldoende onderscheid maakte tussen militaire en civiele doelen, of bewust burgerdoelen bestookte. Met de aanvallen werd bovendien voor miljarden euro’s schade aan de Palestijnse economie en samenleving aangericht, een schade die met geen mogelijkheid proportioneel kan worden genoemd. De schendingen zijn extra kwalijk omdat Israël als bezettende mogendheid juist verantwoordelijk is voor het welzijn van de Palestijnse burgerbevolking.

Ondanks de eenzijdige terugtrekking van het Israëlische leger en de circa achtduizend Israëlische kolonisten uit de Gazastrook in 2005, geldt de strook nog altijd als bezet gebied. Sindsdien oefent Israël van buitenaf een scherpe en veelzijdige controle over de bevolking uit, en na de machtsovername in Gaza door Hamas in juni 2007 grendelde het de strook hermetisch af. Met deze blokkade bepaalt Israël de levens van de 1,9 miljoen Gazanen in hoge mate, en dat maakt het internationaalrechtelijk tot bezetter − en bindt het aan de eerdergenoemde verplichtingen voor een bezettende mogendheid.

Vanzelfsprekend draagt het lokale Hamas-bestuur, in samenwerking met de Palestijnse Autoriteit, in principe verantwoordelijkheid voor het wel en wee in de strook, maar vanwege de blokkade bezit het daartoe slechts beperkte macht en middelen. Israël controleert de landsgrenzen (op de smalle grens met Egypte na) en heeft op het grondgebied van Gaza een brede ‘bufferzone’ geschapen, die voor de Gazaanse bevolking verboden gebied is; wie zich in het gebied begeeft wordt zonder pardon doodgeschoten. Verder controleert het de (toegang tot de) territoriale wateren, het luchtruim en alle elektronische verkeer, beheert het het bevolkingsregister, int het belastingen op goederen die in de strook worden ingevoerd, en heeft het controle over de elektriciteitsvoorziening en de toevoer van brandstof.

In combinatie met de gevolgen van de drie Israëlische aanvallen sinds 2007, heeft de blokkade een permanente humanitaire noodsituatie in Gaza doen ontstaan. Bijna tweederde van de Gazanen is aangewezen op een vorm van humanitaire hulp. Centrale component in de situatie is de vérgaande Israëlische beperking van het verkeer naar en van Gaza: zowel mensen als goederen kunnen de strook maar mondjesmaat in en uit, hetgeen Gaza de bijnaam ‘grootste openluchtgevangenis ter wereld’ heeft opgeleverd (zie voor meer informatie over Gaza het dossier De kwestie-Palestina/Israël).

Israël stelt dat er sinds 2005 van een bezetting geen sprake meer is, en dat de blokkade uit veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is. De internationale gemeenschap onderschrijft het recht op veiligheidsmaatregelen, maar benadrukt tegelijkertijd Israëls internationaalrechtelijke verantwoordelijkheden voor het welzijn van de bevolking van Gaza. De Israëlische mensenrechtenorganisatie Gisha omschreef het eind 2011 in haar rapport Scale of Control: Israel’s Continued Responsibility in the Gaza Strip als volgt:

‘Under these circumstances, it is impossible to say that the occupation of the Gaza strip has ended and therefore, the international law of occupation continues to apply to Israel in the spheres in which it continues to exercise control over the lives of Palestinian residents. […] Israel must fulfill its obligations under international law by allowing free passage of goods and people to and from the Gaza strip, subject to individual security checks and subject to arrangements that meet both Israel’s security needs and its obligation to facilitate normal life in the Gaza strip. Because social and economic development, family unification and access to education and proper medical care largely depend on the ability to travel and transport goods, Israel must allow freedom of movement at a level that extends beyond survival and allows for prosperity, development and the realization of individual rights.’

De VN in al haar geledingen en alle betrokken mensenrechtenorganisaties benadrukken al jaren dat Israël met de blokkade ernstig inbreuk maakt op fundamentele rechten van de bevolking, en goeddeels verantwoordelijk is voor de rampzalige humanitaire situatie in de strook. In mei 2017 typeerde de Speciale VN-Coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces de situatie als: ‘Gaza is now facing a downward spiral of de-development, while the people in Gaza are caught in a cycle of humanitarian need and perpetual aid dependency.’

Opheffing van de blokkade, met inachtneming van Israëls legitieme veiligheidseisen, is een noodzakelijke voorwaarde voor verbetering van de situatie en voor duurzame ontwikkeling van de Gazastrook, stelt de internationale gemeenschap met nadruk. Voortzetting van de blokkade komt neer op ‘onwettige collectieve bestraffing van de burgerbevolking’, zo schreef onder meer de vooraanstaande mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch in oktober 2014 in een ultieme oproep aan donorlanden en de Veiligheidsraad om Israël tot opheffing van de blokkade te dwingen:

‘Israel’s blockade of Gaza, reinforced by Egypt, has largely prevented the export and import of commercial and agricultural goods, crippling Gaza’s economy, as well as travel for personal, educational, and health reasons. The blockade has had a disastrous impact on the health and wellbeing of Gaza’s civilians, curtailing the delivery of food, medicine, fuel, and other necessities. Hundreds of thousands of people have little or no access to clean water. Hospitals, even before the recent fighting, were desperately overstretched. To the extent that the blockade went beyond justifications of military necessity, it constitutes unlawful collective punishment of the civilian population.’

Tot op de dag van vandaag weigert de internationale gemeenschap Israël echter tot het opheffen van de blokkade te dwingen. Zij beperkt zich tot wanhopige inspanningen om de grootste nood te lenigen, inspanningen die ook zwaar te lijden hebben onder de blokkade − een karakteristiek voorbeeld van dweilen met de kraan open. De bevolking van Gaza betaalt de prijs.

Israëlische schendingen van de mensenrechten

Behalve aan schendingen van het internationaal humanitair recht maakt Israël zich in bezet gebied al decennia schuldig aan grove schendingen van de mensenrechten van de Palestijnen, zoals verankerd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die op 10 december 1948 door de Algemene Vergadering van de VN werd aangenomen. Kenmerk bij uitstek van de mensenrechten is dat ze universeel en ondeelbaar zijn: ze gelden voor ieder mens, ongeacht verblijfplaats en omstandigheden. De inhoud van de Verklaring wordt goeddeels gerekend tot het internationaal gewoonterecht en is als zodanig bindend: staten hebben de verplichting de mensenrechten te respecteren en verzekeren.

Uitzonderingen op deze regel zijn noodsituaties, zoals natuurrampen en oorlogen. Onder zulke omstandigheden mogen staten de rechten inperken als dat bijdraagt aan het voorkomen van ernstige gevolgen en het handhaven van de openbare orde. Zulke beperkingen moeten echter tijdelijk en in overeenstemming met het internationaal recht zijn.

De Universele Verklaring is uitgewerkt in twee algemene internationale verdragen, die in 1966 door de Algemene Vergadering van de VN zijn aangenomen: het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten. Israël is als ondertekenaar gebonden aan het respecteren en handhaven van de verdragen, maar bezondigt zich over de hele linie aan ernstige schendingen. De Palestijnen wordt op alle denkbare levensterreinen beperkingen opgelegd. Zij leven onder onderdrukking en hebben geen zeggenschap over hun eigen leven en toekomst.

De schendingen zijn uitvoerig gedocumenteerd door Israëlische, Palestijnse en internationale mensenrechtenorganisaties en VN-instellingen (zie de overzichten van Rapporten en Organisaties). In zijn eerdergenoemde rapport over de Israëlische muur besteedde ook het Internationaal Gerechtshof er in 2004 aandacht aan, en in 2013 verscheen een rapport van een ‘independent international fact-finding mission’, die in opdracht van de VN-Mensenrechtenraad de impact van Israëls nederzettingenbeleid op de mensenrechten van de Palestijnen in kaart bracht. Het onderstaande beknopte overzicht van schendingen is aan deze bronnen ontleend.

De mensenrechtenschendingen hangen onderling samen en zijn veelal het gevolg van de bezetting, en in het bijzonder van Israëls nederzettingenbeleid en de bouw van de ‘Afscheidingsmuur’. In haar conclusies spreekt de internationale onderzoekscommissie van de Mensenrechtenraad van een ‘kruipende annexatie’ van Palestina, die zich op een scala levensterreinen doet voelen:

The establishment of the settlements in the West Bank, including East Jerusalem, is a mesh of construction and infrastructure leading to a creeping annexation that prevents the establishment of a contiguous and viable Palestinian State and undermines the right of the Palestinian people to self-determination. […]

The existence of the settlements has had a heavy toll on the rights of the Palestinians. Their rights to freedom of self-determination, non-discrimination, freedom of movement, equality, due process, fair trial, not to be arbitrarily detained, liberty and security of person, freedom of expression, freedom of access to places of worship, education, water, housing, adequate standard of living, property, access to natural resources and effective remedy are being violated consistently and on a daily basis.

Het recht op zelfbeschikking

Tot in de jaren zestig van de 20e eeuw beschouwde de VN het ‘Palestijnse probleem’ primair als een vluchtelingenprobleem. Eind jaren zestig werden de Palestijnen erkend als een belangrijke partij in de kwestie, werd de weg ingeslagen naar gesprekken met de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) als vertegenwoordiger van de Palestijnen, en kwam de nadruk te liggen op de ‘onvervreemdbare rechten van het Palestijnse volk’, waaronder het recht op zelfbeschikking.

In 1974 bijvoorbeeld (her)bevestigde de Algemene Vergadering in resolutie 3236 ‘the inalienable rights of the Palestinian people in Palestine, including: (a) The right to self-determination without external interference; (b) The right to national independence and sovereignty’. Daarnaast herbevestigde ze ‘the inalienable right of the Palestinians to return to their homes and property from which they have been displaced and uprooted, and calls for their return’. Ze benadrukte ‘that full respect for and the realization of these inalienable rights of the Palestinian people are indispensable for the solution of the question of Palestine’.

Het recht op zelfbeschikking is sindsdien veelvuldig herbevestigd en nadrukkelijk gekoppeld aan het recht op een onafhankelijke staat Palestina die de Westelijke Jordaanoever, Oost-Jeruzalem en Gaza omvat. Zo heet het bijvoorbeeld in resolutie 67/19 van de Algemene Vergadering uit 2012:

The General Assembly, […] reaffirms the right of the Palestinian people to self-determination and to independence in their State of Palestine on the Palestinian territory occupied since 1967.

Er is weinig verbeelding voor nodig om in te zien dat de militaire bezetting van Palestina en de vestiging van zo’n 700 duizend Israëlische kolonisten, verdeeld over circa 240 nederzettingen en ‘buitenposten’ (plus nog zo’n 150 ‘particuliere’ nederzettingen), geen enkele ruimte laat voor Palestijnse zelfbeschikking. In feite hebben de Palestijnen slechts beperkte zeggenschap over een klein deel van hun eigen grondgebied (in de zogenoemde A- en B-gebieden, samen 40 procent van de Westoever vormend) en over natuurlijke hulpbronnen. En aangezien het Palestijnse grondgebied door de ligging van de nederzettingen steeds sterker gefragmenteerd raakt, en ook de Israëlische muur het gebied fragmenteert, is de kans op toekomstige realisering van dit elementaire recht nihil. Onder de voortgaande Israëlische kolonisering is het recht op zelfbeschikking dat de Palestijnen al decennia wordt voorgehouden hooguit nog een stip op een verre horizon, net als het visioen van een soevereine en levensvatbare staat Palestina.

Het recht op leven

Volgens conservatieve schattingen zijn tussen 1967 en 2017 in bezet gebied zo’n 35 duizend Palestijnen op gewelddadige wijze omgekomen. Voor de goede orde: andersom worden ook Israëliërs slachtoffer van geweld van Palestijnen, maar hun aantal bedraagt een fractie van het aantal Palestijnse slachtoffers.

Cijfers over aantallen slachtoffers in 2016 van de Coördinator voor Humanitaire Zaken van de VN illustreren dat. In dat jaar kwamen 109 Palestijnen en dertien Israëliërs om het leven als gevolg van aanvallen en botsingen, en raakten 3427 Palestijnen en 205 Israëliërs gewond. De cijfers laten een daling zien ten opzichte van 2015, toen aan Palestijnse zijde 169 doden en 15.477 gewonden vielen, en aan Israëlische zijde 25 doden en 304 gewonden.

Cijfers van de Speciale VN-Coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces over de zeven maanden tussen half september 2016 tot half april 2017 geven eenzelfde beeld te zien. In die periode kwamen 38 Palestijnen om het leven, onder wie dertien kinderen, en raakten 883 Palestijnen gewond, onder wie 237 kinderen. Van de gedode Palestijnen zouden er volgens de Israëlische autoriteiten 24 zijn gedood nadat zij een aanval uitvoerden of van plan waren dat te doen, claims die, zo leert de ervaring, lang niet altijd gerechtvaardigd zijn. In dezelfde periode waren aan Israëlische zijde zeven doden te betreuren, onder wie vijf militairen, en 49 gewonden, onder wie zeven kinderen.

Het recht op gelijkheid

Op de bezette Westelijke Jordaanoever (exclusief Oost-Jeruzalem, dat door Israël is geannexeerd) is sprake van aparte rechtssystemen voor Israëliërs en Palestijnen. In de Israëlische nederzettingen is het Israëlische recht van toepassing. Zij zijn als het ware door Israël ingelijfd. Op de Palestijnen is − in de woorden van de onderzoekscommissie van de Mensenrechtenraad − ‘een lappendeken’ van militaire orders en flarden Britse, Jordaanse en zelfs Ottomaanse wetgeving van toepassing, alsmede een systeem van militaire rechtspraak waaronder ook tal van civiele aangelegenheden vallen: ‘A patchwork of Israeli military orders and Ottoman, British and Jordanian legislation is applied to Palestinians, who are also subject to a military court system with a wide jurisdictional reach.’

Deze situatie van juridische discriminatie doet sterk denken aan de beruchte apartheid in Zuid-Afrika: in één gebied bestaan twee gescheiden rechtssystemen, waarbij de nationaliteit van iemand bepaalt onder welk systeem hij of zij valt en welke zijn of haar rechten en plichten zijn.

De ongelijkheid komt ook naar voren in de handhaving van het recht, dan wel het gebrek daaraan. Israëlische veiligheidstroepen hebben min of meer een vrijbrief om geweld tegen Palestijnen te gebruiken. Het neerschieten van demonstranten en van jongeren die stenen naar bezettingstroepen gooien (waarop hoe dan ook draconische straffen staan) komt geregeld voor, en ook zijn er veel gevallen bekend waarin Palestijnen zonder aanleiding werden neergeschoten. Tot onderzoek, laat staan tot maatregelen tegen de schutters, komt het zelden, en als dat al gebeurt worden de daders gewoonlijk vrijgepleit. Veroordelingen zijn uitzonderlijk en beperkt tot situaties waarin het misdrijf op video is vastgelegd en tot internationale verontwaardiging leidt.

Een voorbeeld is de liquidatie van een Palestijn die in maart 2016 in Hebron werd neergeschoten nadat hij een aanval met een mes op Israëlische militairen zou hebben gepleegd, en vervolgens in koelen bloede door een militair werd geliquideerd. De liquidatie werd gefilmd en de schutter veroordeeld tot anderhalf jaar cel vanwege doodslag, na een proces dat in Israël tot grote commotie en demonstraties leidde − veel Israëli’s beschouwden de schutter als een held.

In een toelichting op haar cijfers van slachtoffers in 2016 (die licht afwijken van bovengenoemde VN-cijfers) schrijft de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem dat zulke liquidaties veel vaker voorkomen, zonder dat er een haan naar kraait. B’Tselem beschuldigt de Israëlische veiligheidsdiensten ervan in gevallen van vermeende aanvallen door Palestijnen een shoot-to-kill-beleid te volgen, en tegenover demonstranten een trigger-happy-aanpak. Beide worden door de Israëlische politiek gepropageerd, aldus de organisatie:

B’Tselem’s investigation and analysis indicates that these incidents were made possible by an open-fire policy that permits both shooting to kill in instances defined as “incidents of assault” and a trigger-happy approach to demonstrations or stone-throwing. This policy, which is broadly supported by senior officials, conveys profound disregard for the lives of Palestinians. […] This reality is a direct result of the discourse deliberately adopted by ministers and members of Knesset, whose public statements have made it clear that any Palestinian who attacks Israelis − or is suspected of attempting to do so − should be killed.

Kenmerkend voor het gebrek aan aansprakelijkheid voor Israëlische militairen en veiligheidsdiensten is ook de behandeling van de ruim vijfhonderd klachten die door mensenrechtenorganisaties en individuele Palestijnen zijn ingediend naar aanleiding van Israëls militaire offensief tegen de Gazastrook in de zomer van 2014. Daarbij vielen volgens de VN meer dan 2200 Palestijnse doden, onder wie 1523 burgers. Eind 2016 is naar slechts 37 incidenten onderzoek ingesteld, schrijft mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch, en zijn welgeteld drie militairen in staat van beschuldiging gesteld − wegens diefstal.

Niet alleen Israëlische veiligheidsdiensten kunnen hun gang gaan, dat geldt ook voor Israëlische kolonisten die vanuit de nederzettingen aanvallen plegen op Palestijnen. Het vernielen van olijfboomgaarden, akkers en andere eigendommen komt veelvuldig voor, evenals fysiek geweld tegen Palestijnen door groepen kolonisten. Doel daarvan is de Palestijnen het leven dermate zuur te maken dat zij uiteindelijk vertrekken. Tot serieus onderzoek, laat staan een veroordeling, komt het zelden.

De Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din documenteerde in de eerste negen maanden van 2015 260 aangiften van Palestijnen wegens vernielingen aan hun boomgaarden. In 95 procent van de gevallen werd de zaak gesloten wegens ‘police investigation failures’, en in slechts zes gevallen (2,3 procent) werden daders in staat van beschuldiging gesteld.

In de periode 2005-2015 volgde de organisatie de politieonderzoeken naar aanleiding van 1106 ingediende klachten van Palestijnen wegens geweld van kolonisten. In slechts 7,3 procent van deze zaken leidde het onderzoek tot een tenlastelegging.

Over de hele linie, schrijft Yesh Din, worden onderzoeken naar kolonistengeweld in 85 procent van de gevallen gesloten wegens ‘police investigation failures’. De kans dat een door een Palestijn ingediende klacht tot een veroordeling leidt bedraagt 1,9 procent. Dit staat in schril contrast tot klachten van Israëli’s tegen Palestijnen, die volgens het bovengenoemde rapport van de onderzoekscommissie van de VN-Mensenrechtenraad in meer dan 90 procent van de gevallen tot een rechtszaak leiden.

Een gevolg van deze praktijk is dat Palestijnen in toenemende mate afzien van het indienen van een klacht. Uit onderzoek van Yesh Din blijkt dat één op de drie Palestijnse slachtoffers van kolonistengeweld geen aangifte doet, een gegeven dat door de organisatie wordt toegelicht in een instructief tekenfilmpje.

Yesh Din concludeert dat kolonisten gemakkelijk de indruk krijgen dat de Israëlische overheid hen hun gang laten gaan, en wellicht zelfs aanmoedigt het geweld tegen Palestijnen voort te zetten. Met als gevolg dat Palestijnen uiteindelijk hun land verlaten en de nederzettingen groeien:

‘Most of the offenses documented by Yesh Din are perpetrated on Palestinian farmland in Area C and are intended to terrorize Palestinian farmers and landowners, dispossess them and ultimately displace them. Without punishment and deterrence, offenders know they will not be penalized for their actions and conclude that Israel allows them, perhaps even encourages them, to continue unabated.

Yesh Din’s position is that there is a direct link between the failure of the agencies charged with enforcing the law and protecting Palestinians and their property, the dispossession of Palestinians of their land and the expansion of land under the control of the settlement enterprise.’

Een laatste punt dat hier moet worden genoemd is de bizarre praktijk van de Israëlische autoriteiten om ter vergelding van aanslagen van Palestijnen de huizen van de gezinnen van de aanslagplegers te slopen. Een proces komt daar niet bij kijken, de praktijk is uitsluitend van toepassing op Palestijnen, en de getroffenen zijn personen die niets met de aanslag te maken hebben. Het is een vorm van collectieve bestraffing die verboden is onder internationaal recht.

Volgens gegevens van de Speciale VN-Coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces uit mei 2017 werden in de zeven maanden tussen half september 2016 en medio april 2017 om deze reden minstens zes huizen verwoest, waardoor ten minste 19 personen op straat kwamen te staan, merendeels kinderen. En soms reikt de intimidatie nog veel verder, zo blijkt uit de gevolgen van een aanslag op 8 januari 2017, toen een Palestijn uit Oost-Jeruzalem met een vrachtwagen inreed op een groep Israëlische militairen. Daarbij kwamen vier militairen om het leven. De dader werd ter plekke doodgeschoten, het huis van zijn gezin afgebroken, en elf familieleden verloren het recht om nog langer in Oost-Jeruzalem te wonen. Bij tachtig huizen en bedrijven in de wijk waar de dader woonde werden bovendien waarschuwingen wegens overtreding van ‘planningsvoorschriften’ bezorgd, vaak een teken van naderende sloop. Als die inderdaad plaatsvindt, staan zo’n 240 huishoudens, oftewel 1200 mensen, op straat.

Het recht op vrijheid

Volgens gegevens van de Palestijnse mensenrechtenorganisatie Addameer heeft sinds 1967 één op de vijf Palestijnen uit bezet gebied voor kortere of langere tijd in een Israëlische gevangenis gezeten. Uit recente cijfers van de organisatie blijkt dat in april 2017 6300 Palestijnen om politieke redenen gevangen zaten, vijfhonderd Palestijnen in administratieve detentie werden vastgehouden (dat wil zeggen zonder aanklacht, proces en veroordeling) en driehonderd kinderen jonger dan vijftien jaar in Israëlische gevangenschap zaten.

Het militaire rechtssysteem waaronder Palestijnse burgers worden berecht (tenzij het om zaken in de strikt persoonlijke of familiesfeer gaat) wordt algemeen bekritiseerd als discriminerend en afwijkend van de internationale normen voor een eerlijk proces. Willekeurige arrestaties − onder meer bij nachtelijke razzia’s −, mishandeling tijdens arrestaties en ondervragingen, en exorbitante straffen zijn aan de orde van de dag. Daarbij blijven kinderen niet gespaard, blijkt uit rapporten als No Way to Treat a Child − Palestinian Children in the Israeli military detention system van Defence for Children International/Palestine uit 2016, Palestijnse kinderen en militaire detentie van een groep Nederlandse deskundigen uit 2014, en Children in Israeli Military Detention van UNICEF uit 2013.

Daar komt bij dat Palestijnse gedetineerden doorgaans in Israël worden vastgezet, een schending van artikel 49 van de Vierde Conventie van Genève, dat bepaalt dat ‘individual or mass forcible transfers, as well as deportations of protected persons from occupied territory to the territory of the Occupying Power or to that of any other country, occupied or not, are prohibited, regardless of their motive.’ Deze praktijk bemoeilijkt bovendien bezoek van familieleden en vrienden, temeer daar die speciale toestemming van de Israëlische autoriteiten nodig hebben om naar Israël te reizen.

Geregeld gaan gevangenen in hongerstaking om betere omstandigheden af te dwingen. In april 2017 gingen duizend Palestijnse gevangenen in hongerstaking onder leiding van de Palestijnse politicus Marwan Barghouti, leider tijdens de Tweede Intifada en door veel Palestijnen gezien als toekomstig president. Barghouti zit een straf van vijfmaal levenslang uit, waartoe hij in 2002 werd veroordeeld op de (twijfelachtige) beschuldiging van betrokkenheid bij aanslagen en lidmaatschap van een terreurorganisatie. Eerder had Israël vergeefs geprobeerd hem uit de weg te ruimen. Ter gelegenheid van de hongerstaking publiceerde hij een ingezonden stuk in The New York Times, waarin hij de motieven van de stakers toelichtte.

Het recht op eigendom

Sinds het begin van de bezetting heeft Israël zich meester gemaakt van steeds grotere delen van bezet Palestina − de door de onderzoekscommissie van de Mensenrechtenraad genoemde ‘kruipende annexatie’. Zowel in het onrechtmatig geannexeerde Oost-Jeruzalem als op de Westoever is steeds meer Palestijnse grond in beslag genomen, die vervolgens ten goede kwam aan Israëlische nederzettingen. Op beide plaatsen ging dat gepaard met grootschalige onteigening van land dat particulier bezit was van Palestijnen.

Daarbij bedienen de Israëlische autoriteiten zich veelal van het tot ‘state land’ (publieke grond) en ‘militaire zone’ verklaren van stukken land. Dat gebeurt primair op basis van militaire orders en een selectieve interpretatie van Ottomaanse wetgeving. Daarnaast komt het voor dat kolonisten stukken grond botweg bezetten onder het motto dat die hen eigenlijk toebehoort. Dreigen de Palestijnse eigenaren daartegen in opstand te komen, dan is er altijd het Israëlische leger om de kolonisten te beschermen. De gedupeerden wacht een lange rechtsgang, die zelden tot succes leidt.

Veel nederzettingen zijn geheel of gedeeltelijk gebouwd op particuliere Palestijnse grond. Hoewel de bebouwde oppervlakte van de nederzettingen 2 à 3 procent van de Westoever inneemt, stond volgens gegevens van de VN eind 2012 al 43 procent van het gebied onder bestuur van lokale en regionale nederzettingenraden. Dat betekent dat in het zogeheten C-gebied (de 60 procent van de Westoever die tijdens de Oslo-akkoorden onder ‘tijdelijk’ Israëlisch bestuur bleef en waar de nederzettingen geconcentreerd zijn) op dat moment al ruim 70 procent van de grond tot nederzettingen behoorde.

Dit staat in schril contrast tot de situatie van de Palestijnen in het C-gebied. Zij hebben vergunningen van de Israëlische autoriteiten nodig om een huis, een schuur of een waterreservoir te bouwen, en die worden zelden verleend. Volgens cijfers van de Speciale VN-Coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces werd in 2016 meer dan 90 procent van de aanvragen afgewezen. De cumulatieve oppervlakte waar het Palestijnen is toegestaan om te bouwen bedraagt minder dan een procent van Area C.

Het gevolg is dat de Palestijnen gedwongen zijn zonder vergunning te bouwen, en met de permanente zorg leven een aankondiging van sloop te ontvangen. De kosten van de sloop worden bij de gedupeerden in rekening gebracht, reden waarom die vaak besluiten hun huizen zelf af te breken en vervolgens hun heil te zoeken buiten het C-gebied. Ook door Nederland en de EU bekostigde ontwikkelingsprojecten voor Palestijnen in het C-gebied worden geregeld met de grond gelijk gemaakt, om dezelfde reden: geen Israëlische toestemming. Tot dusver heeft Nederland noch de EU daarvoor bij de Israëlische autoriteiten een rekening ingediend.

Volgens cijfers van het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken van de VN vestigden de Israëlische autoriteiten in 2016 een slooprecord: 1089 woningen en andere bouwwerken werden gesloopt of in beslag genomen. Als gevolg daarvan waren 1593 Palestijnen gedwongen huis en haard te verlaten, terwijl het leven van 1701 anderen er diepgaand door werd beïnvloed.

In mei 2017 noemde de Speciale VN-Coördinator voor het Midden-Oosten Vredesproces deze sluipende verdringing van de Palestijnse bevolking het centrale punt van zorg op de Westoever: ‘In the West Bank, the key concern remains the risk of forcible transfer generated by the coercive environment created in various locations by a range of Israeli policies and practices. These practices include the demolition or threat of demolition of homes, schools and other structures; the promotion of ‘relocation plans’ to urban townships; restrictions on access to natural resources; the denial of access to basic services; and the lack of secure residency. These measures are often implemented in connection with the establishment or expansion or securing of Israeli settlements in the occupied West Bank.’

De zorgen van de VN, de EU en andere betrokkenen spitsen zich toe op een aantal strategische locaties, waar Israël probeert door het creëren van aaneengesloten ‘nederzettingencorridors’ Oost-Jeruzalem van de Westoever te scheiden en tegelijkertijd de Westoever van west naar oost te doorsnijden. Ook op andere plaatsen ontstaan corridors, die Palestijnse dorpen en steden van elkaar scheiden, dorpelingen van hun akkers scheiden en gepaard gaan met de sloop van huizen en de inbeslagname van grond. Kwetsbare groepen zoals de bedoeïenengemeenschappen in het E1 (‘East One’)-gebied, in de omgeving van Hebron en in de Jordaanvallei staan zwaar onder druk. In Oost-Jeruzalem lopen volgens EU-gegevens uit 2016 driehonderd Palestijnse gezinnen gevaar have en goed te verliezen.

Deze Israëlische politiek kan niet los worden gezien van de voortdurende uitbreiding van de nederzettingen door de regering-Netanyahu, en van het aannemen van de zogeheten Regularisatiewet − in de volksmond bekend als de ‘Landroofwet’ − door het Israëlische parlement in februari 2017. Met de wet worden (delen van) Israëlische nederzettingen én de ‘buitenposten’ die zonder toestemming van de Israëlische autoriteiten op privégrond van Palestijnen zijn gebouwd alsnog geautoriseerd. Daartoe wordt de grond met terugwerkende kracht onteigend.

Voor één buitenpost kwam de Landroofwet te laat. Amona, waar zich veertig Israëlische gezinnen hadden gevestigd, werd begin februari 2017 met geweld ontruimd, nadat het Israëlische Hooggerechtshof al in 2014 definitief had bepaald dat het op particuliere Palestijnse grond was gebouwd. Het protest vanuit de kolonistenbeweging was oorverdovend, en prompt beloofde premier Netanyahu de bewoners van Amona een splinternieuwe nederzetting. Het is voor het eerst in zo’n 25 jaar dat Israël een officiële nieuwe nederzetting bouwt. En niemand zal ervan opkijken als die op een strategische lokatie komt te liggen.

Alles wijst erop dat de Israëlische regering stug doorgaat met het scheppen van voldongen feiten in Oost-Jeruzalem en het C-gebied, feiten die de vorming van een soevereine en en levensvatbare Palestijnse staat onmogelijk maken. Afgaande op de geluiden in Netanyahu’s kabinet en in de Knesset valt te vrezen dat annexatie van een deel van de Westoever niet lang op zich laten wachten.

WEST BANK, ISR – MAR 05:Israeli soldiers checks Palestinians vehicles on Mar 5, 2008.Since the 90s Israel has created hundreds of permanent roadblocks and checkpoints to prevent violence and terror. ChameleonsEye

Het recht op bewegingsvrijheid

De nederzettingen en hun infrastructuur, alsmede de bouw van de ‘Afscheidingsmuur’, belemmeren de bewegingsvrijheid van de Palestijnse bevolking in hoge mate. Datzelfde geldt voor de vele controleposten en wegversperringen op de Westoever; volgens het VN-Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken waren er eind 2016 472 checkpoints, roadblocks en andere ‘obstakels’ op de Westoever. Bovendien worden de Palestijnen herhaaldelijk onderworpen aan uitgaansverboden. Deze en andere maatregelen belemmeren de toegang tot medische, onderwijs- en andere faciliteiten, en hebben een fnuikend effect op de Palestijnse economie.

Het recht op vrije beschikking over natuurlijke hulpbronnen

Jordaanvallei

Het Israëlische nederzettingenbeleid maakt inbreuk op het recht van de Palestijnen om hun eigen natuurlijke hulpbronnen te beheren. Een duidelijk voorbeeld is de Jordaanvallei, die vrijwel geheel onder bestuur van nederzettingen valt. De Palestijnen kunnen dit uitgestrekte en vruchtbare gebied met zijn natuurlijke hulpbronnen (water, mineralen) niet gebruiken. Zie voor een analyse van de Israëlische greep de watervoorraden in bezet Palestina het dossier De kwestie-Palestina/Israël.

Palestijnse schendingen

Niet alleen Israël, ook de Palestijnse Autoriteit en Hamas maken zich schuldig aan schendingen van het internationaal humanitair recht en/of de mensenrechten, zij het op aanzienlijk geringere schaal dan Israël. Berucht zijn de raketbeschietingen vanuit de Gazastrook op Israël, maar ook tegen de eigen burgers treden beide steeds autoritairder op. De schendingen worden gedocumenteerd door mensenrechtenorganisaties, onder andere door Human Rights Watch.

In de eerste tien maanden van 2016 schoten gewapende groepen in Gaza twintig raketten op Israël af. Ze veroorzaakten geen slachtoffers, maar wel angst. De tamelijk primitieve raketten zijn weinig accuraat, en de kans bestaat dat ze burgerdoelen treffen, ook als ze op militaire doelen gericht zijn. De beschietingen maken inbreuk op een van de eerdergenoemde basisprincipes van het humanitair oorlogsrecht: dat strijdende partijen onderscheid moeten maken tussen burgers en strijders; burgers mogen nooit het doelwit van aanvallen zijn.

Volgens een door de VN-Mensenrechtenraad ingestelde commissie van onderzoek naar schendingen van het recht tijdens Israëls militaire offensief tegen Gaza in 2014, komen de raketbeschietingen mogelijk neer op een oorlogsmisdaad. Daarvoor is Hamas, als plaatselijke machthebber, verantwoordelijk. Op de organisatie rust de plicht ervoor te zorgen dat er geen onrechtmatige aanvallen vanuit Gaza plaatsvinden.

Vanwege betrokkenheid bij aanvallen op burgerdoelen wordt Hamas door veel landen en internationale instellingen als een terreurorganisatie beschouwd. In 2003 belandde de organisatie op de ‘terrorismelijst’ van de Europese Unie (EU) en kreeg ze te maken met harde Europese sancties. Sinds haar verkiezingsoverwinning in 2006 is een strikte EU-boycot van kracht; de EU mijdt Hamas zolang dat blijft weigeren Israël te erkennen, gesloten akkoorden te respecteren en geweld af te zweren. Daarbij meet Europa nadrukkelijk met twee maten: Israël bezondigt zich aan dezelfde punten, en van het geweld dat het land tegen burgers gebruikt kan Hamas alleen maar dromen, maar het mag zich niettemin verheugen op steeds inniger banden met de EU.

Zowel Hamas als de Palestijnse Autoriteit (PA) maken zich daarnaast schuldig aan schendingen van de mensenrechten van de eigen bevolking. De Onafhankelijke Commissie voor de Mensenrechten in Palestina, bij wet ingesteld om het respect van de autoriteiten voor de mensenrechten te monitoren, ontving in de eerste tien maanden van 2016 150 klachten met betrekking tot mishandeling door de veiligheidsdiensten van de PA, en 204 dergelijke klachten over het optreden van de veiligheidsdiensten van Hamas.

Volgens deze klachten maakten de PA op de Westelijke Jordaanoever en Hamas in Gaza zich schuldig aan het oppakken van activisten en journalisten die kritiek leverden op haar leiders, beleid of veiligheidsdiensten. Daarbij zouden zij zich in een deel van de gevallen bezondigen aan mishandeling en marteling. In 2016 plaatste de PA bovendien zo’n twintig personen in administratieve detentie. In januari-februari 2017 deed zich op dit punt een sterke toename voor: de veiligheidsdiensten van de PA plaatsten in deze twee maanden 46 mensen in administratieve detentie.

In Gaza werden daarnaast in 2016 vier executies uitgevoerd. In februari werd een Hamas-commandant door de gewapende arm van Hamas ter dood gebracht vanwege spionage voor Israël, diefstal en een homoseksuele relatie. Anders dan op de Westoever geldt ‘onnatuurlijke gemeenschap’ in Gaza als een misdaad waarop tien jaar cel staat, aldus Human Rights Watch. In mei veroordeelden de civiele autoriteiten drie mannen ter dood wegens moord. In alle gevallen bestaan twijfels aan een eerlijke rechtsgang en leverden mensenrechtenorganisaties, de VN, de EU en zelfs de PA zware kritiek. De PA herinnerde Hamas eraan dat volgens de Palestijnse wet de Palestijnse president doodvonnissen dient te bekrachtigen. Begin april 2017 werden in Gaza opnieuw drie Palestijnen geëxecuteerd, na door de civiele autoriteiten ter dood te zijn veroordeeld wegens collaboratie met Israël. Opnieuw leidden de executies tot zware kritiek van de buitenwereld.