Selecteer een pagina

Achtergronden

Internationaal recht

Ontwikkeling

Hugo Grotius, door Michiel Jansz. van Mierevelt, 1631

Een van de grondleggers van het internationaal recht was de Nederlander Hugo de Groot. In 1609 publiceerde hij in Den Haag een beroemd werk over het principe van de vrije handel op zee, Mare liberum (‘De vrije zee’). Zestien jaar later schreef hij in Parijs het baanbrekende De iure belli ac pacis (‘Over het recht van oorlog en vrede’), dat wordt beschouwd als de basis van het moderne volkenrecht.

In de 19e en 20e eeuw raakte de ontwikkeling van het recht in een stroomversnelling, hand in hand met een groeiend verlangen naar een vreedzamer wereld. Tot dat moment werden conflicten tussen staten beslecht op het slagveld, waar het recht van de sterkste doorslaggevend was. Als gevolg van de almaar bloediger oorlogen maakte het idee van de frische, fröhliche Krieg plaats voor een nieuw ideaal: vrede door recht.

Nederland speelde een belangrijke rol in die ontwikkeling. In 1899 was Den Haag het toneel van de eerste internationale conferentie over vrede en ontwapening, een initiatief van de Russische tsaar Nicolaas II. De keus voor Den Haag was mede gebaseerd op de faam van Nederlandse denkers en rechtsgeleerden als Erasmus, De Groot, Spinoza en − veel later − Tobias Asser, die in 1911 de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen. Koningin Wilhelmina stelde haar zomerpaleis beschikbaar en de 26 deelnemende landen vergaderden gedurende een kleine drie maanden in Huis ten Bosch.

International court of justice in Den Haag Shutterstock.com

De totstandkoming van verdragen op het gebied van het oorlogsrecht (de zogeheten Haagse Verdragen) en de oprichting van een Permanent Hof van Arbitrage, waar staten in geval van geschillen kunnen aankloppen voor onderzoek, advies en bemiddeling, waren het belangrijkste resultaat van deze Eerste Haagse Vredesconferentie. De vestigingsplaats van het Hof lag voor de hand: Den Haag. De Schots-Amerikaanse staalmagnaat en filantroop Andrew Carnegie, zelf een overtuigd voorvechter van de vrede, bleek bereid de bouw van een passend onderkomen te financieren: het Vredespaleis. De eerste steen werd gelegd tijdens een tweede vredesconferentie in Den Haag (met 44 deelnemers) in 1907, waarop ook de Haagse Verdragen verder vorm kregen. Zes jaar later opende de indrukwekkende ‘Tempel voor de Vrede’ de deuren.

In 1922 kreeg het paleis er een bewoner bij: het Permanent Hof voor Internationale Justitie van de Volkenbond, in 1946 opgevolgd door het Internationaal Gerechtshof, het voornaamste gerechtelijke orgaan van de Verenigde Naties. Talloze andere toonaangevende instanties zijn sindsdien in Den Haag neergestreken. De bekendste zijn het Joegoslavië-Tribunaal (opgericht in 1993), de Organisatie voor het Verbod op Chemische Wapens (1997) en het Internationaal Strafhof (2002). Den Haag verwierf de reputatie van ‘Internationale Stad van Vrede en Recht’, oftewel − in de woorden van voormalig secretaris-generaal van de VN Boutros Boutros-Ghali − ‘Juridische Hoofdstad van de Wereld’.

Dat Nederland een lange traditie kent als voorvechter van internationale samenwerking en de internationale rechtsorde is niet toevallig. Als handelsland bij uitstek heeft het daar zelf alle belang bij. In de Nederlandse Grondwet behoort ‘de bevordering van de ontwikkeling van de internationale rechtsorde’ zelfs tot de expliciete taken van de Nederlandse regering.

Veel verdragen, gebrekkige handhaving

Vandaag de dag berust de internationale rechtsorde in de eerste plaats op een groot aantal internationale verdragen, ook wel conventies, handvesten of statuten geheten. Voorbeelden zijn de VN-verdragen ter voorkoming en bestraffing van genocide en foltering, de beroemde Conventies van Genève en het al even bekende Handvest van de Verenigde Naties, waarop de volkerenorganisatie in 1945 is gegrondvest. Het Handvest definieert de organen en procedures van de VN en de rechten en plichten van de 193 lidstaten, en is bovendien een verdrag waarmee de aangesloten landen instemmen met belangrijke beginselen van internationale betrekkingen, onder andere het verbod op het gebruik van geweld, de universele geldigheid van de mensenrechten, en de soevereine gelijkwaardigheid van staten.

Met al die verdragen zijn onmiskenbaar positieve stappen gezet, maar een probleem is dat ze niet altijd worden nageleefd en er nog geen effectief handhavingsmechanisme bestaat. Zoals de bekende mensenrechtenorganisatie Amnesty International het uitdrukt: veel verdragen kennen comités van toezicht, maar ‘er is geen internationale politie die de wetten handhaaft’.

Ook op dit terrein zijn in de loop der jaren wel stappen gezet. Zo bestaan er regionale rechtsprekende instanties − met name het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (opgericht in 1959) en het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens (1978) − en stelde de VN tussen 1993 en 2009 speciale tribunalen in die rechtspreken over oorlogsmisdaden, genocide en misdaden tegen de mensenlijkheid begaan in voormalig Joegoslavië, Rwanda, Sierra Leone, Cambodja en Libanon. Hun functie zal gaandeweg worden overgenomen door het Internationaal Strafhof, dat sinds 2002 rechtsmacht heeft over de genoemde misdaden en de vervolging van individuele oorlogsmisdadigers. Maar de tijd waarin het internationaal recht overal door gerechtshoven wordt gecontroleerd is nog ver weg, stelt Amnesty.

Macht en onmacht van de VN

Het Internationaal Strafhof wordt wel verward met het eveneens in Den Haag gevestigde Internationaal Gerechtshof, het hoogste gerechtelijke orgaan van de VN. Het Gerechtshof beslecht juridische geschillen tussen staten, die door die staten zelf worden voorgelegd. Daarnaast brengt het adviezen uit over juridische kwesties die worden voorgelegd door organen en gespecialiseerde organisaties van de VN. Het is vervolgens aan de betreffende organen en organisaties om de adviezen al dan niet op te volgen. Maar zelfs als dat gebeurt, is er geen garantie dat er een eind komt aan de geconstateerde schendingen van het recht.

5 May 2016, Jerusalem, Israel/Palestine: The wall dividing Israelis from Palestinians. Albin Hillert / Shutterstock.com

Illustratief is de gang van zaken na de uitspraak van het Gerechtshof over de Israëlische ‘Afscheidingsmuur’ in 2004. De Algemene Vergadering van de VN verzocht het Hof in 2003 om op basis van het internationaal recht te beoordelen of Israël het recht had de muur grotendeels in bezet Palestijns gebied te bouwen. Nee, luidde het oordeel, Israël is verplicht de werkzaamheden in Palestijns gebied te staken, het daar al gebouwde deel van de muur af te breken en gedupeerden schadeloos te stellen. Het Hof herinnerde nadrukkelijk aan de verplichting van derde staten om Israël tot het respecteren van het recht te bewegen. De Algemene Vergadering nam de uitspraak integraal over in een resolutie die werd aangenomen met 150 stemmen voor (onder andere van Nederland), zes tegen en tien onthoudingen. Maar Israël trok zich er niets van aan en bouwt tot op de dag van vandaag verder aan de muur, zonder dat het daarbij iets in de weg wordt gelegd.

De Algemene Vergadering heeft niet de mogelijkheid de naleving van resoluties met geweld of anderszins af te dwingen. Die macht is binnen de VN voorbehouden aan de Veiligheidsraad. De slagvaardigheid van de Raad wordt echter beperkt door het recht van veto waarover de vijf permanente leden (China, Frankrijk, Rusland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten) beschikken, een euvel dat zich met betrekking tot de kwestie-Palestina/Israël ernstig doet voelen. Hoewel de Raad Israël veelvuldig heeft gemaand het recht te respecteren en zijn bouwactiviteiten in Palestina te staken, beschermt de VS het land steevast tegen sancties; in de loop der jaren zijn tientallen resoluties op een Amerikaans veto gestuit.

Natuurlijk kunnen staten ook zelfstandig, of bijvoorbeeld in EU-verband, sancties treffen. Dat is in lijn met hun verplichtingen krachtens door hen ondertekende verdragen, en het treffen van sancties tegen landen die het recht en de Europese beginselen schenden komt geregeld voor. Zo zou het voor de hand liggen dat Nederland, gezien zijn bijzondere status op internationaalrechtelijk gebied, binnen de EU het initiatief nam tot het bevriezen van het Associatieverdrag met Israël, op grond van de daarin opgenomen mensenrechtenclausule. Maar, zoals in de Inleiding al vermeld en in het Dossier Politiek nader toegelicht, Nederland is als het om Palestina en Israël gaat niet de rechterhand van Vrouwe Justitia, maar de steun en toeverlaat van Israël.

Ook de EU bewandelt, hoewel ze tegen tal van landen sancties heeft ingesteld, als het om Israël gaat de tegenovergestelde weg: de onderlinge banden worden voortdurend verder aangehaald. Zo kan het gebeuren dat de Russische annexatie van de Krim in 2014 direct werd beantwoord met zware Europese sancties, terwijl de Israëlische annexatie van Oost-Jeruzalem in 1967 tot op de dag van vandaag alleen verbaal wordt bekritiseerd.