Selecteer een pagina

Achtergronden

Tweede Kamer

GroenLinks

De principiële voorhoede in de Tweede Kamer

GroenLinks komt op voor de zwakkeren en onderdrukten en zet zich al lang in voor de rechten van de Palestijnen. De internationale gemeenschap moet veel krachtiger tegen schendingen van het oorlogsrecht en de mensenrechten optreden, vindt de partij. Hiervoor moeten ook sancties ingezet worden.

Tijdens het kabinet-Rutte II beschikte GroenLinks over een kleine fractie van vier leden. Daardoor kreeg de kwestie-Palestina/Israël minder aandacht dan onder eerdere kabinetten. Maar op politieke sleutelmomenten liet de partij steeds een principieel geluid horen.

Bij de verkiezingen op 15 maart 2017 boekte GroenLinks tien zetels winst. De portefeuille buitenland is toevertrouwd aan voormalig partijleider Bram van Ojik, die terug is in de Tweede Kamer.

Opstelling tijdens kabinet-Rutte II

GroenLinks vroeg veel aandacht voor schendingen van het internationaal recht, maakte zich sterk voor Israëlische en Palestijnse mensenrechtenverdedigers en stelde Kamervragen over Israëls agressieve campagne tegen de geweldloze BDS-beweging. In de beantwoording bevestigde het kabinet dat activiteiten en uitlatingen in het kader van BDS worden beschermd door de vrijheid van meningsuiting en vergadering.

GroenLinks is tegen de intensivering van de betrekkingen met Israël en voorstander van Europese sancties, waaronder opschorting van het EU-Israël Associatieakkoord. Daarvoor diende het in januari 2017 met de SP een motie in. GroenLinks is voor erkenning van de staat Palestina.

Kamervragen

GroenLinks heeft tijdens Rutte-II tien keer Kamervragen over Israël-Palestina gesteld. Zeven keer was de partij eerste indiener, drie keer tekende ze mee met Kamervragen van PvdA, D66 en SP. De vragen hadden betrekking op mensenrechtenschendingen en het nederzettingenbeleid.

Overzicht van alle Kamervragen van GroenLinks tijdens Rutte-II

Moties

Partijen dienen moties in om het kabinetsbeleid te beïnvloeden. Tijdens Rutte-II heeft GroenLinks zes moties over Israël-Palestina ingediend, waarvan vier als eerste indiener. De moties hadden veelal betrekking op het nederzettingenbeleid.

In de periode-Rutte II hebben we 55 moties geregistreerd die, op grond van hun oproep aan de regering, als vóór of tegen de Israëlische bezetting te classificeren zijn. Voor de moties ‘pro-bezetting’ (31 stuks) geldt in algemene zin: die bevorderen beleid dat de bestaande situatie van ongelijkheid en rechteloosheid bestendigt en de bezetting en nederzettingen ten goede komt. Voor de moties ‘anti-bezetting’ (24 stuks) geldt: die willen de status quo van ongelijkheid en rechteloosheid juist doorbreken en voorzien in maatregelen tegen de bezetting en nederzettingen.

Alle partijen stemmen over de ingediende moties. Voor de 55 moties hebben we het stemgedrag per partij geregistreerd. GroenLinks zit in het anti-bezettingsblok in de Tweede Kamer: het heeft 23 van de 24 anti-bezettingsmoties gesteund (96 procent) en geen enkele pro-bezettingsmotie.

Meer informatie over Kamervragen, moties en zetelverdeling

Verkiezingsprogramma

Het verkiezingsprogramma van GroenLinks bevat een krachtig standpunt over de kwestie-Palestina/Israël:

Nederland en de EU vergroten hun inspanningen voor een rechtvaardige oplossing van het Israëlisch-Palestijnse conflict. Israël moet de bezetting van de Westelijke Jordaanoever en de blokkade van de Gazastrook beëindigen. Beide partijen moeten zich houden aan het internationaal recht en zich onthouden van geweld en mensenrechtenschendingen. Nederland erkent Palestina als staat. Nederland pleit voor opschorting van het associatieverdrag tussen de Europese Unie en Israël, zolang Israël doorgaat met ernstige schendingen van het internationaal recht. De afgesproken herkomstvermelding op geïmporteerde producten uit de Israëlische nederzettingen wordt onmiddellijk uitgevoerd.

Het GroenLinks-programma refereert kort en krachtig aan de internationale rechtsorde: ‘Den Haag is de mensenrechtenhoofdstad van de wereld. GroenLinks is daar trots op. Mensenrechtenschendingen laten we niet onweersproken, ook wanneer die worden begaan door grote handels- of verdragspartners.’