Selecteer een pagina

Achtergronden

De kwestie-Palestina/Israël

De kwestie

De kwestie zoals we die vandaag kennen is een gevolg van ontwikkelingen in Europa. In reactie op het welig tierende antisemitisme in met name Midden-Europa, ontstond eind 19e eeuw onder joden een beweging die de stichting van een joodse staat in Palestina propageerde. Belangrijkste wegbereider van deze zogeheten zionistische beweging was de in Boedapest geboren journalist Theodor Herzl, die het voornemen in 1896 uitwerkte in zijn boek Der Judenstaat.

Theodor Herzl

Hoewel er in joodse kring grote verdeeldheid bestond over het idee, en Herzl naast Palestina ook Argentinië als vestigingsplaats opperde (en van andere kanten ook bijvoorbeeld Oeganda en Guyana werden gesuggereerd), richtte de beweging zich op Palestina. Dat was immers het oude ‘Land Israël’, het nog oudere ‘Land Kanaän’, dat volgens het Bijbelboek Genesis door God aan Abraham en zijn nakomelingen was beloofd en door Abrahams kleinzoon Jacob (alias ‘Israël’, en als stamvader van de joden beschouwd) was veroverd. Ook Herzl refereerde in zijn boek aan deze historie, waaraan onder Romeinse heerschappij een einde was gekomen. De naam Palestina alleen al zou volgens hem de beweging een stevige impuls geven:

Palästina ist unsere unvergeßliche historische Heimat. Dieser Name allein wäre ein gewaltig ergreifender Sammelruf für unser Volk.

Vanaf 1882, nog voor publicatie van Der Judenstaat, kwam de joodse emigratie naar Palestina op gang. Palestina maakte op dat moment deel uit van het Ottomaanse Rijk. Joden woonden er altijd al, zij het in geringe aantallen; rond 1880 maakten zij zo’n 5 procent van de bevolking uit. De relaties tussen deze joodse Palestijnen en hun islamitische en christelijke buren waren over het algemeen goed.

Tegenstrijdige Britse beloften

Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) drukte het Verenigd Koninkrijk, op dat moment de machtigste koloniale mogendheid ter wereld, zijn stempel op de kwestie. Gedreven door eigenbelang deden de Britten tegenstrijdige toezeggingen over de toekomst van Palestina.

In ruil voor Arabische steun aan een aanval op het Ottomaanse Rijk, dat tijdens de Eerste Wereldoorlog de kant van de Centrale Mogendheden had gekozen, stelden zij de emir van Mekka onafhankelijkheid voor alle Arabische gebieden ten oosten van Egypte in het vooruitzicht, met uitzondering van enkele plaatsen, maar met inbegrip van Palestina (Hoessein-McMahon-correspondentie, 1915-1916). In mei 1916 beklonken ze echter een geheime afspraak met de Fransen over de onderlinge verdeling van deze gebieden na de val van het Ottomaanse Rijk (Sykes-Picot-overeenkomst). Beide grootmachten beheersten al delen van de regio en spraken af hun macht te verstevigen door de belangrijkste stukken onderling te verdelen, en in de rest invloedssferen in te stellen waarbinnen één of meerdere ‘onafhankelijke’ Arabische staten zouden mogen bestaan.

Last but not least betuigde de Britse regering sympathie aan de zionistische aspiraties in Palestina, in de vorm van de zogeheten Balfour-verklaring. In een brief aan de vooraanstaande Britse zionist Lionel Walter Rothschild schreef minister van Buitenlandse Zaken Arthur Balfour op 2 november 1917 dat zijn regering zich zou inzetten voor ‘de stichting van een joods nationaal tehuis in Palestina’. Wat zo’n ‘nationaal tehuis’ behelsde werd in het midden gelaten. Als voorbehoud stelde de regering dat het project niet ten koste mocht gaan van de rechten van ‘de niet-joodse gemeenschappen’ − een slag om de arm voor de bühne, aangezien het instellen van een ‘nationaal tehuis’ voor immigranten zonder de lokale bevolking daarin te kennen per definitie een aantasting van die rechten is. Balfour schreef:

‘His Majesty’s Government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews in any other country.’

Balfour declaration, 1917

De Balfour-verklaring was enerzijds het gevolg van een succesvolle zionistische lobby, en anderzijds een gerichte poging van de Britten om zich van wereldwijde joodse steun voor de geallieerden te verzekeren in de strijd tegen de Centrale Mogendheden. Daarnaast speelde op de achtergrond het ook in het Westen volop aanwezige antisemitisme mee; weinigen betreurden het als de joden naar Palestina zouden vertrekken. Maar bovenal getuigde de verklaring van de grote sympathie van de Britse regering voor het zionistische project.

Mandaatgebied Palestina

De geallieerde overwinning in de Eerste Wereldoorlog betekende de definitieve ondergang van het Ottomaanse Rijk en leidde in 1919 tot de oprichting van de Volkenbond, de voorloper van de Verenigde Naties (VN), die hernieuwde grootschalige oorlogen zou moeten voorkomen. Onder inspiratie van de dominante machten Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk stelde de bond zogeheten mandaten in over delen van het voormalige Ottomaanse Rijk. Palestina werd gedefinieerd als een gebied dat in principe voor onafhankelijkheid in aanmerking kwam, maar − in de beste koloniale traditie van de tijd − pas na een periode van verlicht buitenlands bestuur.

Op 24 juli 1922 stelde de Volkenbond Palestina per september 1923 onder mandaat (in feite koloniaal bestuur) van het Verenigd Koninkrijk. In de mandaattekst werd gesteld dat de Britse regering uitvoering zou geven aan de Balfour-verklaring op grond van ‘the historical connexion of the Jewish people with Palestine and to the grounds for reconstituting their national home in that country’, en tegelijkertijd de belangen en rechten van de niet-joodse Palestijnen zou beschermen. Het zou een recept voor ellende blijken.

In Palestina en de Arabische wereld was de verontwaardiging groot. De ontwikkelingen werden beschouwd als een schending van de Britse toezeggingen en van het recht op zelfbeschikking en zelfbestuur van de lokale bevolking. Onder invloed van de snel toenemende joodse immigratie groeide onder de Palestijnen de zorg dat de situatie zou uitmonden in de oprichting van een koloniale joodse staat. Die vrees was alleszins reëel, gezien de luide roep daartoe van zionistische zijde, en de aanspraken die daarbij op heel Palestina werden gemaakt. In de praktijk bouwde de joodse gemeenschap bovendien aan een eigen, goeddeels gesloten, economie en eigen instituties. Palestijnen beklaagden zich ook over minachting van en machtsmisbruik door de immigranten, een klacht die door kritische joden werd gedeeld.

Om nog íets van hun beloften na te komen besloten de Britten, met toestemming van de Volkenbond, het deel van het mandaatgebied ten oosten van de rivier de Jordaan onder de naam Transjordanië uit te sluiten van joodse immigratie. Transjordanië kreeg een vorm van zelfbestuur onder een zoon van de emir van Mekka, de man die in 1915-1916 Arabische onafhankelijkheid in het vooruitzicht was gesteld. In 1946 zou Transjordanië (het huidige Jordanië) onafhankelijk worden.

In het resterende mandaatgebied Palestina (het gebied dat het huidige Israël, Gaza en de Westelijke Jordaanoever omvat) liepen het wantrouwen, de protesten en spanningen op. Ze kwamen zo nu en dan tot uiting in gewelddadigheden over en weer, en in 1936-1939 in een grote opstand van de Palestijnen tegen de Britse overheersing en de joodse immigratie. Die was na de machtsovername door Hitler in Duitsland fors toegenomen. De opstand kostte duizenden mensen het leven, overwegend Palestijnen.

Teneinde de zaken niet nog verder te laten escaleren besloten de Britten in 1939 tot een koerswijziging: binnen tien jaar zou Palestina onafhankelijk worden onder gezamenlijk bestuur van Palestijnen en joden, en de joodse immigratie zou aan quota worden gebonden, te beginnen met een maximum van 75 duizend immigranten voor de komende vijf jaar. Nu er meer dan 450 duizend joden waren geïmmigreerd, stelden de Britten dat zij aan hun toezeggingen in de Balfour-verklaring hadden voldaan.

Propaganda poster van de Irgun, 1931

De Palestijnen verwelkomden het vooruitzicht van onafhankelijkheid en Brits vertrek, maar in zionistische kring werden de maatregelen beschouwd als verraad. Joodse terreurorganisaties, met name Irgun en het in 1940 daarvan afgesplitste Lehi, antwoordden met (bom)aanslagen op overheidsinstellingen en Palestijnse burgers. Daarnaast steeg, als gevolg van het sluiten van veel Europese grenzen voor joodse vluchtelingen, gevolgd door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, de illegale joodse immigratie tot recordhoogte.

Verdelingsplan

Na de oorlog escaleerde de situatie verder, en in 1947 besloten de Britten hun mandaat op te geven. Ze verzochten de juist opgerichte VN om zich over de toekomst van Palestina te buigen. De VN stelde een comité in om de situatie te onderzoeken en aanbevelingen te doen. Dat stelde het zogeheten Verdelingsplan voor, dat voorzag in de stichting van een joodse en een ‘Arabische’ staat. Tien jaar eerder had de door de Britse regering ingestelde commissie-Peel een soortgelijk plan voorgesteld, dat door de regering als onhaalbaar was afgewezen.

Verdelingsplan, 29 November 1947.

In het nieuwe Verdelingsplan omvatte de joodse staat 56 procent van het grondgebied van Palestina, hoewel de joden 33 procent van de bevolking van bijna 1,9 miljoen zielen uitmaakten (in 1914 was dat circa 8 procent, in 1922 11 procent en in 1939 30 procent) en zij niet meer dan 7 procent van de grond bezaten. Voor de Palestijnen, 67 procent van de bevolking, resteerde 43 procent. Jeruzalem en omgeving, de laatste één procent, zou onder internationaal bestuur komen.

Vanzelfsprekend wezen de Palestijnen en de Arabische buurlanden het voorstel af. Zij pleitten voor één gezamenlijke staat, die de gelijkheid en rechten van alle burgers garandeerde. Onder verwijzing naar het VN-Handvest betoogden zij dat de VN helemaal niet gerechtigd was om Palestina tegen de wil van het overgrote deel van de bevolking op te delen, laat staan een minderheidsgroep een voorkeursbehandeling te geven − om nog maar te zwijgen van de bevoegdheid zo’n opdeling met geweld af te dwingen. Zij (en anderen) stelden voor juridisch advies in te winnen bij het Internationaal Gerechtshof. Tegelijkertijd maakten ze duidelijk dat iedere poging om toch een joodse staat te stichten zou worden opgevat als een daad van agressie, waarop uit zelfverdediging met geweld zou worden gereageerd.

De joodse bevolkingsgroep stemde in meerderheid met het Verdelingsplan in, al was duidelijk dat velen het vizier op een bredere horizon hadden gericht. Ook onder nogal wat seculiere joden werd de − zoals dat werd genoemd − ‘bevrijding van het hele Land Israël’ gezien als een historische opdracht.

Ondanks de Palestijnse bezwaren stemde de Algemene Vergadering van de VN op 29 november 1947 met 33 stemmen voor (waaronder Nederland), dertien tegen en tien onthoudingen in met het Verdelingsplan, in de vorm van resolutie 181. De resolutie was een aanbeveling aan de VN-leden om het plan over te nemen en te implementeren, en een verzoek aan de Veiligheidsraad de daarvoor benodigde maatregelen te treffen, toe te zien op een vreedzaam verloop en ‘iedere poging de voorziene oplossing met geweld te veranderen’ te beschouwen als ‘een bedreiging van de vrede, een schending van de vrede of een daad van agressie’.

Binnen de Veiligheidsraad rezen principiële twijfels aan de eigen bevoegdheden. Was zij, vredesorgaan bij uitstek, wel gemachtigd om een op politieke motieven gebaseerde opdeling, die niet de instemming had van de meerderheid van de bevolking, met geweld aan die bevolking op te dringen? Ging dat niet lijnrecht in tegen het VN-Handvest? Was het gebruik van geweld niet voorbehouden voor de bestrijding van directe bedreigingen en schendingen van de internationale vrede? ‘Als er íets een bedreiging is voor de vrede, is het dat Verdelingsplan zelf’, merkte de Syrische VN-afgevaardigde op.

De Veiligheidsraad verzocht de permanente leden van de raad aanbevelingen te doen met betrekking tot de situatie, en vroeg na ontvangst daarvan om een speciale zitting van de Algemene Vergadering ‘to consider further the question of the future government of Palestine’ (resolutie 44, 1 april 1948). Diezelfde dag riep het vanwege de gewelddadige ontwikkelingen in Palestina vergeefs op tot een wapenstilstand. Het zouden die ontwikkelingen zijn, en niet het Verdelingsplan, die de ‘future government of Palestine’ zouden bepalen. Het Verdelingsplan is nooit uitgevoerd, en de door de VN voorziene Palestijnse staat wacht, in aanzienlijk bescheidener vorm, tot op de dag van vandaag op algemene erkenning.

De Nakba

Direct na het aannemen van resolutie 181 door de Algemene Vergadering gleed Palestina in snel tempo af naar een burgeroorlog. Joodse strijdgroepen, beter georganiseerd, getraind en bewapend dan de Palestijnse, begonnen een campagne die erop was gericht om zo veel mogelijk gebied met zo weinig mogelijk Palestijnse bewoners in handen te krijgen. De campagne van wat ‘de etnische zuivering van Palestina’ wordt genoemd beperkte zich niet tot het gebied van de voorziene joodse staat, en ging gepaard met moordpartijen waarvan die op de bewoners van het Palestijnse dorp Dayr Yasin de beruchtste is. De aanval op 9 april 1948 door de terreurorganisaties Irgun − die zich eerder onder meer had doen gelden met een bomaanslag op het Britse hoofdkwartier in het King David Hotel in Jeruzalem − en Lehi, met ondersteuning van de reguliere strijdkrachten van de Haganah (voorloper van de Israëlische strijdkrachten), kostte circa 120 bewoners het leven.

Ook van Palestijnse zijde vonden gruwelijkheden plaats, maar die staan in geen verhouding tot de volledige ontwrichting van de Palestijnse samenleving die bekendstaat als de Nakba, de Catastrofe: tussen eind 1947 en de eerste dagen van 1949 werden ongeveer 750 duizend Palestijnen (bijna 60 procent van de bevolking) in een spiraal van geweld, terreur en vlucht van huis en haard verdreven. Velen kwamen in Gaza en op de Westelijke Jordaanoever terecht, anderen vluchtten naar Libanon, Jordanië, Syrië of Egypte. Om hun terugkeer te beletten vernietigden de joodse strijdgroepen (en later het Israëlische leger) meer dan vierhonderd dorpen en stadswijken.

Zo’n 300 duizend Palestijnen waren al hun woonplaatsen ontvlucht toen er op 15 mei 1948 een einde kwam aan het Britse mandaat. Enkele uren eerder proclameerde de vooraanstaande joodse leider David Ben-Gurion de stichting van de staat Israël. Daarbij beriep hij zich op wat hij de ‘recognition by the United Nations of the right of the Jewish people to establish their State’ in resolutie 181 noemde, maar zonder de grenzen van die resolutie (of welke grenzen dan ook) in acht te nemen.

Oorlog

Zoals aangekondigd vielen op 15 mei troepen uit Egypte, Syrië, Jordanië en Irak het voormalige mandaatgebied binnen in een poging het tijd te keren. Zij kregen van Palestijnse zijde het verwijt te lang met de invasie te hebben gewacht. De Arabische troepen werkten niet goed samen en waren ook niet bijster goed uitgerust, maar gedurende korte tijd leek de strijd alle kanten uit te kunnen. De leverantie van vliegtuigen en andere wapens aan Israël vanuit Europa, met name Tsjechoslowakije, veranderde de verhoudingen beslissend.

Folke Bernadotte

De Veiligheidsraad stuurde de Zweedse diplomaat Folke Bernadotte, die in de Tweede Wereldoorlog als hoofd van het Zweedse Rode Kruis vele duizenden joden uit concentratiekampen had gered, als bemiddelaar naar het strijdtoneel. Hij slaagde erin een wapenstilstand tot stand te brengen, die echter een maand later werd verbroken. In zijn rapportages aan de Veiligheidsraad pleitte Bernadotte voor een terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen als voorwaarde voor een rechtvaardige oplossing:

The majority of these refugees have come from territory which […] was to be included in the Jewish State. The exodus of Palestinian Arabs resulted from panic created by fighting in their communities, by rumours concerning real or alleged acts of terrorism, or expulsion. It would be an offence against the principles of elemental justice if these innocent victims of the conflict were denied the right to return to their homes, while Jewish immigrants flow into Palestine, and, indeed, at least offer the threat of permanent replacement of the Arab refugees, who have been rooted in the land for centuries.

Op 11 december 1948 bevestigde de Algemene Vergadering van de VN het Palestijnse recht op terugkeer in resolutie 194, en in de resolutie waarmee ze Israël precies vijf maanden later als lid van de VN accepteerde bracht ze dat besluit nog eens expliciet onder de aandacht. Niettemin weerhoudt Israël de vluchtelingen tot op de dag van vandaag van terugkeer (zie voor meer informatie het dossier Internationaal recht).

De VN zou niet lang profijt hebben van de diensten van de in brede kring gerespecteerde Bernadotte. Op 17 september 1948 werd hij in Jeruzalem door strijders van de terreurorganisatie Lehi vermoord.

De oorlog eindigde begin 1949 met een bestand. De Arabische troepen hadden twee gebieden in handen weten te houden. De Westelijke Jordaanoever kwam, inclusief het oostelijke deel van Jeruzalem, onder Jordaans bestuur (en kreeg bij die gelegenheid zijn huidige naam). Jordaanse troepen zetten de joodse inwoners van Oost-Jeruzalem de grens over en vernietigden een groot aantal synagogen. Jordanië annexeerde de Westoever en Oost-Jeruzalem in 1950, een stap die alleen door het Verenigd Koninkrijk en Pakistan werd erkend. De bestandslijn tussen Jordanië en Israël werd bekend als de Groene Lijn, naar de kleur van de inkt waarmee hij op de landkaart was ingetekend.

Het tweede gebied onder Arabische controle was de kleine Gazastrook, die door Egyptische troepen werd gecontroleerd. In plaats van 56 procent van Brits Palestina, zoals door de VN in het Verdelingsplan voorzien, beheerste Israël nu 78 procent van het voormalige mandaatgebied. Die situatie zou onveranderd blijven tot juni 1967, toen Israël in de Zesdaagse Oorlog zowel de Westoever als Gaza veroverde, en daarnaast de Sinaï op Egypte (die in het kader van het vredesverdrag tussen beide landen in 1978 werd teruggegeven) en de Golan-hoogvlakte op Syrië. Daarmee was de basis gelegd voor de situatie zoals we die nu kennen. Israël heeft het volledige mandaatgebied in handen, de Palestijnen leven verspreid over de regio en de wereld.

Een gefragmenteerd volk

Volgens cijfers van het Palestijnse CBS bedroeg het aantal Palestijnen eind 2016 wereldwijd circa 12,7 miljoen. Zij zijn de nazaten van de 1,3 miljoen Palestijnen die eind 1947 in het Britse mandaatgebied Palestina leefden. Van hen werd in het navolgende jaar bijna 60 procent verdreven (de Nakba of Catastrofe). Tijdens en kort na de Zesdaagse Oorlog van juni 1967 werden nog eens rond de 250 duizend Palestijnen verjaagd (de Naksa of Tegenslag). Globaal de helft van hen had ook in 1947-1949 al een goed heenkomen moeten zoeken; zij werden dus voor de tweede maal vluchteling.

Als gevolg van het geweld kwam een groot deel van de Palestijnse bevolking buiten Palestina terecht − de zogeheten ‘Palestijnse diaspora’. Eind 2016 leefde de helft van de Palestijnen buiten het voormalige Palestina, en de andere helft in Israël dan wel in door Israël sinds 1967 bezet gebied. Hoewel de vluchtelingen het recht van terugkeer naar hun voormalige woonplaatsen hebben, worden zij daar tot op de dag van vandaag door Israël van weerhouden.

Bezet Palestina

Zo’n 38 procent van de Palestijnen, bijna 5 miljoen mensen, leven in door Israël bezet Palestijns gebied: op de Westelijke Jordaanoever, in Oost-Jeruzalem en in de Gazastrook. Dit zijn wat traditioneel de Occupied Palestinian Territories (bezette Palestijnse gebieden) heten. Tegenwoordig worden ze gezamenlijk aangeduid als Palestina, zijnde het grondgebied van de staat Palestina, die inmiddels door 137 landen wordt erkend. Dit Palestina heeft een oppervlakte van zo’n 6020 vierkante kilometer, oftewel 22 procent van historisch (Brits) Palestina.

De gebieden werden in juni 1967 door Israël ingenomen. Sindsdien leven de inwoners onder een wrede militaire bezetting, die op vrijwel alle levensterreinen diep ingrijpt. De bezetting gaat gepaard met een lange reeks schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten, waarop in het dossier Internationaal recht uitvoerig wordt ingegaan; in het onderstaande beperken we ons tot een beknopte beschrijving. Veelvuldig is Israël door de VN en tal van andere instellingen en organisaties gemaand een einde te maken aan het schrijnende onrecht, maar tot op de dag van vandaag geeft het daar geen gehoor aan.

Westelijke Jordaanoever: illegale kolonisering

De Westoever, Oost-Jeruzalem inbegrepen, heeft een oppervlakte van 5655 vierkante kilometer. Hier leven een kleine 3 miljoen Palestijnen. Onder hen zijn zo’n 775 duizend geregistreerde vluchtelingen. Een kwart van de vluchtelingen leeft in negentien vluchtelingenkampen.

Daarnaast hebben zich op de Westoever en in Oost-Jeruzalem grofweg 700 duizend Israëlische kolonisten gevestigd, verspreid over een groot aantal kolonies die eufemistisch worden aangeduid als ‘nederzettingen’, zelfs als ze tienduizenden inwoners tellen. De vestiging van eigen burgers in bezet gebied door een bezettende mogendheid is een ernstige schending van het internationaal recht, en volgens de door het Internationaal Strafhof gehanteerde definitie een oorlogsmisdaad. Israëls koloniseringspolitiek wordt bovendien algemeen beschouwd als het grootste obstakel voor de door de internationale gemeenschap nagestreefde ‘rechtvaardige en duurzame vrede’.

De kolonisering nam kort na de Zesdaagse Oorlog van juni 1967 een aanvang. Volgens een door de Veiligheidsraad ingestelde onderzoekscommissie waren er in 1979 al 79 nederzettingen − 17 in Oost-Jeruzalem en 62 op de Westoever − met zo’n 90 duizend inwoners. In haar rapport signaleerde de commissie dat Israël aanzienlijk meer grond in beslag had genomen dan de bebouwde oppervlakte van de nederzettingen − namelijk 27 procent van de Westoever − en dat de nederzettingen deels gevestigd waren op particulier land van Palestijnen. Ook stelde ze dat het Israëls bedoeling leek de Westoever door de bouw van nederzettingen te fragmenteren en zo een levensvatbare Palestijnse staat feitelijk onmogelijk te maken. In de loop der jaren zouden de gesignaleerde trends zich steeds sterker uitkristalliseren.

Naast de ‘reguliere’ nederzettingen, die door Israël als legaal worden beschouwd, stichtten kolonisten in toenemende mate zogeheten ‘buitenposten’ in de buurt van bestaande nederzettingen, waarvoor de regering geen toestemming had verleend. Deze outposts waren dus niet alleen in strijd met het internationaal recht, maar ook met de Israëlische wet. In de praktijk voorzag de Israëlische overheid ze echter gewoonlijk van infrastructuur en andere faciliteiten, ook als ze, zoals vaak het geval was, op privégrond van Palestijnen waren gevestigd.

In de afgelopen jaren zijn bovendien enkele tientallen buitenposten met terugwerkende kracht door de regering geautoriseerd en in stilte omgevormd tot ‘officiële’ nederzettingen, zo signaleerden The Rights Forum en de Israëlische mensenrechtenorganisatie Yesh Din in 2015 in hun gezamenlijke rapport Under the Radar: Israel’s silent policy of transforming unauthorized outposts into official settlements. Sinds het aannemen van de zogeheten Regularisatiewet − ook bekend als de ‘Landroofwet’ − in februari 2017, hoeft dat niet meer in stilte. Met de wet kunnen buitenposten en (delen van) ‘reguliere’ nederzettingen die op privégrond van Palestijnen zijn gebouwd alsnog worden geautoriseerd. Daartoe wordt de grond met terugwerkende kracht onteigend.

Cijfers over het huidige aantal Israëlische kolonisten variëren van circa 600 tot 800 duizend. In een toespraak tot het Amerikaanse Congres stelde premier Netanyahu in mei 2011 dat zich op dat moment 650 duizend kolonisten op de Westoever en in Oost-Jeruzalem hadden gevestigd. Dit cijfer komt neer op een toename van meer dan 1200 kolonisten per maand, gerekend vanaf 1967. Gezien de stroomversnelling waarin achtereenvolgende kabinetten-Netanyahu de kolonisering hebben gebracht, zou dit betekenen dat het huidige aantal kolonisten rond de 750 duizend ligt.

Tellingen van de Europese Unie (EU) komen lager uit. De Unie meende dat er eind 2015 142 officiële nederzettingen, rond de honderd buitenposten en met name in Oost-Jeruzalem nog eens 152 kleine, door particuliere organisaties gerunde nederzettingen waren, met een gezamenlijk inwonertal van zo’n 600 duizend. Op grond van de uiteenlopende tellingen (er zijn er meer) gaat The Rights Forum uit van een aantal van grofweg 700 duizend kolonisten.

Gegevens van de VN illustreren hoe sterk Israël de Westoever met zijn koloniseringsproject domineert. Hoewel de bebouwde oppervlakte van de nederzettingen 2 à 3 procent van het gebied inneemt, viel eind 2012 43 procent van de Westoever onder bestuur van lokale en regionale nederzettingenraden. Palestijnen hebben daar niets te vertellen en zijn er zelfs niet welkom, en leven bovendien onder een ander rechtssysteem dan de kolonisten − een situatie van juridische discriminatie die sterk doet denken aan de apartheid in Zuid-Afrika.

Intussen is ook duidelijk dat het Palestijnse grondgebied door de situering van de nederzettingen inderdaad steeds sterker gefragmenteerd raakt. Door het creëren van aaneengesloten ‘nederzettingencorridors’ probeert Israël Oost-Jeruzalem van de Westoever te scheiden en tegelijkertijd de Westoever van west naar oost te doorsnijden. Ook op andere plaatsen ontstaan corridors, die Palestijnse dorpen en steden van elkaar scheiden.

Aan deze fragmentatie draagt ook de bouw van de zogeheten ‘Afscheidingsmuur’ − alias ‘Veiligheidsmuur’ en ‘Apartheidsmuur’ − bij, die Israël in 2002 langs de hele lengte van de Groene Lijn besloot te bouwen. Dat was tijdens de piek van de Tweede Intifada, de Palestijnse volksopstand tegen de Israëlische bezetting. In die periode pleegden Palestijnse groeperingen geregeld aanslagen in Israël.

De Israëlische autoriteiten hebben het recht, zelfs de plicht, de eigen burgerbevolking te beschermen. Maar veiligheid bleek niet het ware of enige motief. Zo’n 85 procent van de muur wordt op Palestijns grondgebied gebouwd. Hij steekt tot 22 kilometer diep de Westoever in. Na voltooiing ligt zo’n 10 procent van de Westoever aan de Israëlische kant van de muur, een gebied dat het leeuwendeel van de nederzettingen omvat. De muur lijkt vooral bedoeld om dit gebied bij Israël in te lijven.

De muur heeft bizarre gevolgen voor de Palestijnse bevolking. Vele duizenden Palestijnen zijn bekneld geraakt tussen de muur en de Groene Lijn. Hun toegang tot andere delen van de Westoever is beperkt en zij hebben een speciale vergunning nodig om in hun eigen huis te mogen wonen. Zo’n 150 Palestijnse dorpen zijn door de muur vruchtbare landbouwgrond kwijtgeraakt. Veel boeren hebben toestemming nodig om hun grond aan de andere kant van de muur te bewerken. Die toestemming wordt vaak niet verleend. Bovendien is het aantal doorgangen in de muur beperkt, waardoor de reistijd lang is.

In Oost-Jeruzalem loopt de muur dwars door Palestijnse woonwijken. Een deel van de bewoners heeft daardoor geen directe toegang tot het stadscentrum en publieke voorzieningen zoals medische zorg en scholen. Of zij moeten door checkpoints in de muur, waar de wachttijden vaak lang zijn. Dit geldt ook voor nood- en hulpdiensten, die naar het afgescheiden deel van Oost-Jeruzalem moeten. Zij ondervinden vaak vertraging door uitgebreide Israëlische controles.

In 2004 bepaalde het Internationaal Gerechtshof dat de muur, voorzover gebouwd op Palestijnse bodem, illegaal is en moet worden afgebroken, en dat gedupeerden schadeloos moeten worden gesteld. De Algemene Vergadering van de VN nam de uitspraak integraal over in een resolutie die werd aangenomen met 150 stemmen voor, zes tegen en tien onthoudingen. Maar Israël trok zich er niets van aan en bouwt tot op heden ongestoord verder, zoals het ook de illegale nederzettingen blijft uitbreiden. Wie doet mij wat, is de gedachte.

De Palestijnen in ieder geval niet. Zij staan machteloos tegen de bezetter en moeten het doen met beperkte zeggenschap over een klein deel van hun eigen grondgebied. Dat is een uitvloeisel van de in 1993-1995 tussen Israël en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) gesloten Oslo-akkoorden, die de basis moesten vormen voor een onafhankelijke Palestijnse staat. Tijdens een interimperiode van vijf jaar zouden de Palestijnen een bestuur opbouwen − de Palestijnse Nationale Autoriteit of kortweg Palestijnse Autoriteit (PA), een naam die in 2013 officieel werd veranderd in de Staat Palestina − en zou Israël zich gefaseerd terugtrekken uit Gaza en van de Westoever. Tijdens de interimperiode zouden beide partijen zich buigen over de zogeheten Final Status Issues, waaronder de afbakening van de grenzen en de status van Jeruzalem en de nederzettingen.

Het interimproces voorzag in de opdeling van de Westoever in drie zones, de A-, B-, en C-gebieden. Het A-gebied omvatte de meeste steden, maakte 18 procent van de Westoever uit en kwam onder gezag van de PA. Hier ligt ook Ramallah, de zetel van de PA, wiens eerste president Yasser Arafat was; de huidige president is Mahmoud Abbas. Het iets grotere B-gebied (22 procent) omvatte een groot aantal dorpen en kwam onder Palestijns civiel gezag en Israëlisch veiligheidsgezag. Het C-gebied omvatte 60 procent van de Westoever, inclusief bijna alle nederzettingen, en bleef voorlopig onder Israëlisch bestuur. Het C-gebied omringde beide andere gebieden.

Het Oslo-proces stokte al snel. In 1996 won de rechtse Likud-partij de Israëlische verkiezingen en werd Benjamin Netanyahu, verklaard tegenstander van ‘Oslo’, premier. Een jaar later staakte hij de gebiedsoverdracht. Het gevolg is dat de Oslo-structuur nog altijd bestaat, de PA mede vanwege corruptie, autoritaire trekken, het uitblijven van verkiezingen en de nauwe samenwerking met Israël weinig legitimiteit meer geniet, en Israël zijn koloniale beleid ongestoord voortzet.

Zicht op Palestijnse huizen in Oost-Jerusalem.

Oost-Jeruzalem: extreme discriminatie

Oost-Jeruzalem is een van de heetste hangijzers in de kwestie-Palestina/Israël. Israël veroverde het stadsdeel in 1967 op Jordanië en annexeerde het de facto, nadat joodse strijdkrachten in 1948 het westelijke deel al hadden veroverd. Israël beschouwt Jeruzalem als de ‘eeuwige en ondeelbare hoofdstad’ van het land.

De internationale gemeenschap echter veroordeelt de annexatie van meet af aan als een schending van het internationaal recht. Zij ziet Oost-Jeruzalem als integraal deel van bezet Palestijns gebied. Alle EU-lidstaten erkennen Tel Aviv als hoofdstad van Israël en hebben daar ook hun ambassades. De Palestijnen beschouwen Oost-Jeruzalem als toekomstige hoofdstad van hun eigen staat. In het stadsdeel wonen circa 300 duizend Palestijnen en 200 duizend Israëlische kolonisten.

Israël annexeerde niet alleen Oost-Jeruzalem, maar trok meteen zeventig vierkante kilometer van de Westelijke Jordaanoever bij de stad, waarvan 64 vierkante kilometer werd afgenomen van 28 Palestijnse dorpen. Daarbij werd zorgvuldig geselecteerd: hoe leger, hoe beter. Dichtbevolkte Palestijnse gebieden werden buiten de deur gehouden. Zo kon het gebeuren dat soms alleen landerijen werden geannexeerd en het eigenlijke dorp niet, of de ene helft van een dorp wel en de andere niet. Doel was altijd om zo veel mogelijk land met zo weinig mogelijk Palestijnen te annexeren.

Het politieke doel van Israël was en is om van Oost-Jeruzalem een joods-Israëlische stad te maken, teneinde de legitieme Palestijnse hoofdstad-aspiraties de kop in te drukken. Zo hielden de autoriteiten direct na de oorlog en annexatie van juni 1967 een volkstelling onder de Palestijnse bevolking. Iedere Palestijn die zich op dat moment in Jeruzalem bevond kreeg de status ‘permanente inwoner’. Wie afwezig was verloor voorgoed het recht om in Jeruzalem te wonen. Duizenden Palestijnse inwoners die een veilig heenkomen hadden gezocht voor het oorlogsgeweld verloren het recht om naar huis terug te keren.

De status van ‘permanente inwoner’ is niet hetzelfde als burgerschap. Een permanente inwoner heeft het recht om zonder speciale vergunningen in Israël te wonen en te werken, maar geen stemrecht bij nationale verkiezingen, noch het recht om na een lang verblijf in het buitenland vanzelfsprekend naar Israël terug te keren. De status van permanente inwoner kan worden ingetrokken. Sinds 1967 verloren meer dan 14.500 Palestijnen het inwonerschap van Jeruzalem.

Om hun status niet te verliezen moeten Palestijnen continu aan kunnen tonen dat Jeruzalem het ‘middelpunt van hun leven’ is. Om dat te kunnen bewijzen ligt de lat erg hoog. Stapels documenten moeten worden overlegd, waaronder het koop- of huurcontract van het huis, afrekeningen van water, gas en elektriciteit, gemeentelijke belastingen en telefoon, alsmede salarisstrookjes en inschrijvingsbewijzen van de scholen van eventuele kinderen. Palestijnen in Oost-Jeruzalem zijn veroordeeld tot een levenslange strijd voor hun fundamentele rechten.

Een belangrijk wapen in de strijd om het stadsdeel te ‘verjoodsen’ is Israëls nederzettingenbeleid. Maar liefst 35 procent van de grond in Oost-Jeruzalem is geconfisqueerd voor Israëlische nederzettingen. Slechts 13 procent is gereserveerd voor Palestijnse bouwplannen; een groot deel van die grond is echter al bebouwd.

Meteen na de bezetting van Oost-Jeruzalem is de Israëlische regering begonnen met het bouwen van grote nederzettingenblokken langs de nieuwe gemeentegrenzen en tussen Palestijnse woonwijken, met als doel Oost-Jeruzalem te isoleren van de rest van de Westelijke Jordaanoever. Sinds eind jaren tachtig richt het beleid zich ook op Israëlische aanwezigheid in het ‘historische bassin’ (de oude stad en het gebied daaromheen) en in Palestijnse woonwijken. Dit wordt gedaan door land in beslag te nemen voor publieke projecten zoals wegen, archeologische opgravingen, nationale parken en toeristische projecten, en door nederzettingen te creëren in het hart van Palestijnse woonwijken. Deze kleine nederzettingen zijn niet officieel door de staat opgericht, maar door particuliere organisaties. Deze kolonistenorganisaties zijn rechts, religieus en nationalistisch van karakter en openlijk tegen de aanwezigheid van Palestijnen in Jeruzalem. Het is echter de staat die het land voor deze nederzettingen heeft overgedragen en de nederzettingen uitgebreid ondersteunt.

In nederzettingen in Palestijnse wijken wonen ongeveer tweeduizend ideologische, en vaak ook extreme kolonisten. Zij worden door een gelijk aantal gewapende beveiligers bewaakt. De beveiliging wordt betaald door de staat. Het veiligheidsbudget voor deze kolonisten bedroeg 25 miljoen euro in 2014. De Palestijnse buurtbewoners genieten geen enkele bescherming tegen de kolonisten en hun bewakers, die hen intimideren en hun bewegingsvrijheid inperken.

Een andere belangrijke manier om Israëls greep op Jeruzalem te versterken is de bouw van de ‘Afscheidingsmuur’ geweest. De muur maakt de scheiding tussen Oost-Jeruzalem en de Westelijke Jordaanoever nog definitiever en verstevigt Israëls claim op Jeruzalem als ongedeelde stad.

Door de bouw van de muur zijn zo’n 100 duizend Palestijnse inwoners van Jeruzalem in gebieden ‘achter’ de muur terechtgekomen. Een derde van Jeruzalems Palestijnse inwoners wordt hiermee ‘buiten’ de stad gehouden, terwijl joodse kolonisten uit de nederzettingen rondom Jeruzalem juist ‘bij’ Jeruzalem worden getrokken. Het gaat om acht Palestijnse wijken die formeel gezien tot Jeruzalem behoren, maar aan de Palestijnse kant van de muur liggen, waardoor ze afgesloten zijn van de stad. Dit heeft geleid tot een extreme verpaupering van deze buurten. Stadsdiensten werken er niet meer, hulpdiensten komen er niet meer en de ontwikkeling van infrastructuur is tot staan gekomen. De mensen die in dit niemandsland wonen zijn verplicht door checkpoints te gaan om toegang te hebben tot de rest van de stad.

Tot slot is het discriminerende gemeentebeleid voor stadsontwikkeling en ruimtelijke ordening een zorgwekkende factor. Er is een grote discrepantie tussen Oost- en West-Jeruzalem, al betalen Palestijnen in Oost-Jeruzalem net zo goed gemeentelijke belasting.

In juni 2014 is er voor het eerst een vijfjarenplan gemaakt voor Oost-Jeruzalem, met een budget van zo’n 73 miljoen euro. Het is zowel bestemd voor verbetering van de veiligheid als voor sociaal-economische ontwikkeling. De gemeentelijke autoriteiten realiseerden zich dat er ook in Oost-Jeruzalem een verband bestaat tussen de kwaliteit van leven en de omvang en het niveau van geweld. Tweederde deel van het budget wordt over een periode van vijf jaar geïnvesteerd in infrastructuur en de ontwikkeling van Palestijnse wijken. Dat is tweemaal zoveel als het bedrag dat jaarlijks voor de beveiliging van tweeduizend kolonisten wordt uitgegeven.

Het falende gemeentebeleid voor stedelijke ontwikkeling in Oost-Jeruzalem heeft geleid tot een crisis. Er is een extreem tekort aan huizen, en adequate plannen voor de ontwikkeling van Palestijnse wijken zijn er niet. Voor Palestijnen is het uiterst moeilijk om een bouwvergunning te krijgen. Veel Palestijnen zien zich daarom gedwongen zonder vergunning te bouwen. Naar schatting zijn twintigduizend huizen zonder vergunning gebouwd. Dat is 39 procent van alle huizen in Oost-Jeruzalem. Palestijnen die bouwen zonder vergunning hangen hoge boetes en sloopverordeningen boven het hoofd.

Vanwege de exorbitant hoge kosten die Palestijnen moeten betalen als de autoriteiten hun huis komen slopen, besluiten veel Palestijnen het zelf te slopen zodra ze een sloopverordening ontvangen. Sinds 1967 hebben de autoriteiten zo’n tweeduizend huizen in Oost-Jeruzalem gesloopt.

Huizen die gebouwd zijn zonder vergunning mogen volgens de Israëlische wet niet worden aangesloten op water en riolering. Hierdoor hebben duizenden Palestijnen geen adequate toegang tot water en riolering.

Alle obstakels waarmee Palestijnen zich geconfronteerd zien bij het bouwen van huizen hebben geleid tot een ernstig woningtekort van ongeveer tienduizend huizen. Dit heeft de huizenprijzen in Oost-Jeruzalem de hoogte ingejaagd. Een aanzienlijk probleem, vooral omdat 82 procent van de Palestijnen in Oost-Jeruzalem onder de armoedegrens leeft. Wie van hen zich gedwongen ziet om buiten Jeruzalem op zoek te gaan naar een goedkoper huis, verliest daarmee de status van permanente inwoner van Jeruzalem.

Palestijnse kinderen bij de ruïnes van gebouwen in Beit Lahia, Gaza, vernietigd door Israëlische luchtaanvallen in de oorlog van 2008-2009, bekend als Operation Cast Lead, 4 juli 2012Ryan Rodrick Beiler / Shuttersto

De Gazastrook: humanitair spookhuis

De Gazastrook is met zijn oppervlakte van 365 vierkante kilometer tweemaal zo groot als Texel, en omvat 1,3 procent van historisch (Brits) Palestina. Op dat kleine stukje land leven 1,9 miljoen Palestijnen. Rond 1948 werd de strook overspoeld door vluchtelingen uit het binnenland van Palestina, slachtoffers van de Nakba (de Catastrofe), op de vlucht voor of verdreven door joodse strijdgroepen. Dat verleden draagt de strook nog altijd met zich mee. Bijna 70 procent van de bevolking staat geregistreerd als vluchteling, en meer dan een half miljoen mensen leven in acht vluchtelingenkampen die uit hun voegen barsten.

Na de Arabisch-Israëlische oorlog van 1948-1949 kwam Gaza onder Egyptisch bestuur. Tot juni 1967, toen Israël in de Zesdaagse Oorlog de strook binnenviel en innam. Er vestigden zich zo’n achtduizend Israëlische kolonisten, een gering aantal in vergelijking met de omringende Palestijnse bevolking. Maar net als op de Westelijke Jordaanoever en in Oost-Jeruzalem leefden zij op relatief grote voet: ze controleerden gaandeweg een kwart van de strook, 40 procent van het vruchtbare land en het grootste deel van de schaarse watervoorraden. De grote meerderheid van de Palestijnen leidde, net als vandaag, een armoedig bestaan.

In 2005 besloot de Likud-regering van premier Ariel Sharon tot eenzijdige terugtrekking van de kolonisten en militairen. Sharon presenteerde de stap, die hem hard in botsing bracht met de kolonistenbeweging, als een bijdrage aan vrede en de tweestatenoplossing. Die voorstelling van zaken viel moeilijk serieus te nemen, gezien het feit dat Sharon de kolonisering van Oost-Jeruzalem en de Westoever voortzette.

Sinds 2007 staat de strook onder bestuur van Hamas, de militante politieke organisatie van religieus-nationalistische snit die wereldwijd op ‘terrorismelijsten’ prijkt, ook op die van de Europese Unie, en die zorgvuldig buiten het ‘vredesproces’ wordt gehouden. Of dat laatste verstandig is moet ernstig worden betwijfeld. Of het rechtvaardig is al evenzeer. Hamas mag zich dan schuldig maken aan schendingen van de mensenrechten en het internationaal humanitair recht, het mag dan weigeren Israël te erkennen, gesloten akkoorden te respecteren en geweld af te zweren, het is wél een van de hoofdrolspelers in de kwestie-Palestina/Israël, en Israël bezondigt zich in het kwadraat aan exact dezelfde schendingen, maar wordt geen strobreed in de weg gelegd.

Bovendien blijkt de organisatie in staat tot verandering. Dat bleek bijvoorbeeld uit haar deelname aan de verkiezingen van 2006, die ze glansrijk won. Tot schrik van de internationale gemeenschap, die juist haar best had gedaan Hamas tot het ‘politieke pad’ te bewegen. Hamas kreeg direct te maken met sancties, ook van Israël, dat bovendien vlak voor en na de verkiezingen honderden Hamas-leden oppakte, onder wie tientallen parlementariërs en ministers. Het ‘politieke pad’ leidde uiteindelijk tot een preëmptieve machtsgreep van Hamas in Gaza ten koste van Fatah, de dragende partij van de Palestijnse Autoriteit, die nu alleen nog op de Westelijke Jordaanoever de scepter zwaait.

Het praktische aanpassingsvermogen blijkt ook uit de publicatie, op 1 mei 2017, van een aanvulling op het beruchte handvest van de organisatie. Het bombastische antisemitisme dat passages in het oude document kenmerkte is verdwenen, en de stichting van een onafhankelijke Palestijnse staat op de Westoever en in Gaza, met Oost-Jeruzalem als hoofdstad, wordt een ‘formule van nationale consensus’ genoemd. Hamas lijkt zich daarmee met de tweestatenoplossing te verzoenen, al blijft de bevrijding van heel historisch Palestina het einddoel. De organisatie lijkt hiermee uit haar isolement te willen treden en toenadering te zoeken tot rivaal Fatah.

Intussen heeft Gaza zich nog niet hersteld van de verwoestende Israëlische aanvallen in 2008, 2012 en 2014, waarbij circa vierduizend Palestijnen omkwamen, merendeels burgers, en voor miljarden euro’s schade werd aangericht. In combinatie met de elders op deze site beschreven wurgende Israëlische blokkade − over schendingen van het recht gesproken − hebben ze Gaza veranderd in een humanitair spookhuis. In een scherpe beschouwing uit 2009 die nog weinig aan waarde heeft ingeboet, waarschuwt de Brits-Israëlische historicus Avi Shlaim voor de gevolgen van het langdurig opsluiten van 1,9 miljoen mensen in een ‘openluchtgevangenis’:

The living conditions in the strip remain an affront to civilised values, a powerful precipitant to resistance and a fertile breeding ground for political extremism.

Israël: tweederangsburgers

In Israël leven volgens het Palestijnse CBS ruim 1,5 miljoen Palestijnen, oftewel 12,1 procent van het totale aantal wereldwijd. Volgens het Israëlische CBS bedraagt hun aantal bijna 1,8 miljoen, zijnde een kleine 21 procent van de bevolking van Israël. Dat verschil is verklaarbaar: Israël telt de circa 300 duizend Palestijnse inwoners van het geannexeerde Oost-Jeruzalem mee, terwijl het Palestijnse CBS hen tot Palestina rekent.

Tijdens de gevechten tussen eind 1947 en begin 1949 bleef een deel van de Palestijnen op het grondgebied van wat de staat Israël werd, dat wil zeggen binnen de Groene Lijn. Ongeveer een kwart van hen waren vluchtelingen die binnen het gebied bij familie of vrienden opvang hadden gevonden. Na afloop van de gevechten werd het hen onmogelijk gemaakt naar hun huizen terug te keren. Wie dat toch probeerde liep het risico het land te worden uitgezet. Net als de vluchtelingen die buiten Israël terechtgekomen waren verloren zij hun bezittingen.

Tot eind 1966 hadden de Palestijnen in Israël met militaire verordeningen te maken die hen zware beperkingen oplegden. Tegenwoordig zijn zij Israëlische staatsburgers en kunnen zij zich vrij bewegen binnen Israël, Oost-Jeruzalem en het C-gebied op de Westelijke Jordaanoever. De A- en B-gebieden op de Westoever echter zijn op grond van Israëlisch militair bevel voor Israëli’s − dus ook voor hen − verboden terrein. Een reisje naar Ramallah, Hebron of Bethlehem zit er dus niet in. Dat geldt ook voor een tiental Arabische en islamitische landen die door Israël als vijandige staten worden aangemerkt. Een bezoek aan die landen is onder Israëlische wetgeving strafbaar.

Ondanks hun staatsburgerschap hebben de Palestijnen te maken met zware institutionele en maatschappelijke discriminatie. In de ‘joodse staat’ hebben joden meer rechten dan niet-joden. Volgens de Discriminatory Laws Database van de mensenrechtenorganisatie Adalah bestaan er meer dan vijftig Israëlische wetten die direct of indirect discriminerend zijn. De mensenrechtenorganisatie ACRI (The Association for Civil Rights in Israel) stelt dat Palestijnen op alle levensterreinen met zware discriminatie te maken hebben:

Arab citizens of Israel face entrenched discrimination in all fields of life. In recent years, the prevalent attitude of hostility and mistrust towards Arab citizens has become more pronounced, with large sections of the Israeli public viewing the Arab minority as both a fifth column and a demographic threat. There are glaring socioeconomic differences between Jewish and Arab population groups, particularly with regard to land, urban planning, housing, infrastructure, economic development, and education. Over half of the poor families in Israel are Arab families, and Arab municipalities constitute the poorest municipalities within Israel.

In het beleidsadvies dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken (AIV) in 2013 op verzoek van de Eerste Kamer over de kwestie-Palestina/Israël schreef − Tussen Woord en Daad − Perspectieven op duurzame vrede in het Midden-Oosten − sprak ook dit college zich over de achterstelling van de Palestijnen uit: ‘Deze bevolkingsgroep zou eenzelfde behandeling in Israël moeten krijgen als de Joden en alle vormen van discriminatie tegen deze groep moeten worden tegengegaan.’

De diaspora

Als gevolg van het geweld van 1947-1949 en 1967 kwam een groot deel van de Palestijnse bevolking buiten Palestina terecht − de zogeheten ‘Palestijnse diaspora’. Eind 2016 leefden een kleine 6,3 miljoen Palestijnen, de helft van het Palestijnse volk, buiten het voormalige Palestina.

De overgrote meerderheid van hen (88 procent) verblijft in een van de buurlanden van Israël/Palestina of elders in de Arabische wereld, en ook daar staan velen nog als vluchteling geregistreerd: in Jordanië, Libanon en Syrië bij elkaar ruim drie miljoen.

Het is in kringen van Israëlische politici en hun supporters bon ton om met de beschuldigende vinger naar de regeringen van deze landen te wijzen: zij hadden de vluchtelingen moeten ‘opnemen’ en ‘integreren’. Die zienswijze gaat − en dat is kenmerkend − voorbij aan wat de Palestijnen zelf willen. Niet voor niets hebben zij bij monde van de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) de omringende landen (met uitzondering van Jordanië) verzocht de vluchtelingen juist geen burgerschap toe te kennen, in de wetenschap dat Israël dat zou aangrijpen om de vluchtelingenkwestie tot afgehandeld te verklaren. Zij willen terug naar huis, of hun eigendommen terug, of daarvoor gecompenseerd worden. Dat is hun goed recht. En het is beschamend dat zij daar na tientallen jaren nog altijd op moeten wachten.