Recente opiniepeilingen bevestigen dat het imago van Israël wereldwijd is verkruimeld. In de hoop het tij te keren blijft het zijn critici van antisemitisme beschuldigen en gigantische bedragen in internationale PR-campagnes pompen.

Terwijl Israël de bevolking van de illegaal bezette gebieden in Palestina, Syrië en Libanon met grof geweld blijft terroriseren, is het internationale imago van het land op een dieptepunt beland. Wie daar nog aan mocht twijfelen kreeg eerder deze maand een luide wake-up call. Uit een opiniepeiling van het Amerikaanse Pew Research Center in 36 landen bleek dat twee op de drie respondenten een negatief of zelfs zeer negatief beeld van Israël hebben. Slechts een kwart van de respondenten oordeelde positief of zeer positief.
De mening van de bevolking van Nederland, een halve eeuw geleden nog vrijwel unaniem en onvoorwaardelijk pro-Israël, spreekt boekdelen. Bijna de helft van de ondervraagden, 47 procent, is zeer negatief en nog eens 29 procent ‘gewoon’ negatief. Slechts 16 procent heeft een positief en 4 procent een zeer positief beeld van Israël. Onder respondenten die zich als links beschouwen is zelfs 90 procent negatief, maar ook onder rechtse Nederlanders geldt dit voor een forse meerderheid: 67 procent.
In de overige negen onderzochte Europese landen, waaronder Duitsland, Italië en het Verenigd Koninkrijk, is het beeld globaal hetzelfde. Veelzeggend is dat in Duitsland, waar steun voor Israël onderdeel is van de nationale identiteit, bijna driekwart van de bevolking negatief over Israël oordeelt, en minder dan een kwart positief. Alleen Hongarije wijkt enigszins af van het Europese patroon. Daar is ‘maar’ 54 procent negatief, tegenover 32 procent positief.
In slechts vier van de 36 landen wordt nog overwegend positief over Israël gedacht. In India is 32 procent positief en 28 procent negatief (maar heeft de grootste categorie respondenten, 40 procent, geen mening). In Kenia is 50 procent positief en 47 procent negatief, in Nigeria is de verhouding 47-41 procent en in Ghana 49-36 procent. Voor een sprankje positiviteit is Israël dus aangewezen op enkele landen in Afrika.
Minstens zo desastreus voor Israël is de recent gepubliceerde Democracy Perception Index 2026, samengesteld door de in Kopenhagen gevestigde Alliance of Democracies Foundation. Onderdeel daarvan was de vraag aan respondenten in 85 landen naar hun algemene oordeel over andere landen en een aantal grote internationale organisaties. Van de 66 landen en twee organisaties (de VN en de NAVO) die overal werden genoemd werd een ranglijst samengesteld. In deze Global Perspective Ranking eindigt Israël afgetekend als laatste, nog onder Noord-Korea, Afghanistan, Iran en de VS – de onderste vijf landen van de ranglijst.
Het is interessant specifiek te kijken naar de opvattingen in de Verenigde Staten, Israëls grootste bondgenoot die het land met zijn onvoorwaardelijke wapenleveranties en andere steun meer dan eens overeind heeft gehouden. Volgens de peiling van het Pew Research Center heeft ook daar een meerderheid van de bevolking, 60 procent, een negatief beeld, tegenover 37 procent een positief beeld. Het verschil tussen linkse en rechtse Amerikanen is groot: van eerstgenoemde categorie is 83 procent negatief, voor rechts Amerika is dat 37 procent. Dat weerspiegelt globaal de verhouding in het Congres, waar Democraten steeds kritischer zijn over militaire steun aan Israël.
Jonge Amerikanen zijn over de hele linie (links én rechts) overwegend negatief over Israël. In de categorie 18 tot 50 jaar is 70 procent negatief: 84 procent van de linkse Amerikanen en 57 procent van de rechtse. Verder blijkt uit gegevens van Pew dat de Amerikanen de afgelopen vier jaar gestaag negatiever over Israël zijn geworden. In 2022 was 42 procent van de bevolking negatief, in 2025 was dat 53 procent en in 2026 zoals gezegd 60 procent.
Ook onder Joodse Amerikanen maakt de ooit schier grenzeloze solidariteit met Israël in toenemende mate plaats voor afkeuring en vervreemding, zo laat de ene na de andere opiniepeiling zien. In een peiling van The Washington Post in het najaar van 2025 zei bijvoorbeeld 61 procent dat Israël in Gaza oorlogsmisdaden pleegt en 39 procent dat het zich schuldig maakt aan genocide op de Palestijnen. Vier jaar eerder meende al 22 procent van de Joodse Amerikanen dat Israël genocide pleegt, volgens een peiling van het Jewish Electorate Institute. Bij die gelegenheid stelde één op de drie Joden (34 procent) verder dat Israël een racistisch beleid tegenover Palestijnen voert, en noemde een kwart van hen Israël een ‘apartheidsstaat’.
In een interview met het Israëlische dagblad Haaretz werd de veranderende overtuiging van Joodse Amerikanen onlangs scherp onder woorden gebracht door Arielle Angel, eindredactrice van het magazine Jewish Currents:
There is a critical mass at this point that is starting to be – let’s be frank about it – disgusted with Israel, and whose attachment to Israel is waning, if not evaporated.
Het zijn met name Joodse jongeren die zich van Israël vervreemd voelen. Volgens een eind mei gepubliceerde peiling van het Jewish Voters Resource Center hebben Joodse Amerikanen onder de 35 jaar in meerderheid (52 procent) geen emotionele band met het land.
Gezien Israëls aanhoudende misdadige optreden in de illegaal bezette gebieden wekt de vrije val waarin de reputatie van het land zich bevindt geen verbazing. Verwonderlijk is eerder dat die decennia op zich heeft laten wachten en dat de meeste regeringen, waaronder de Nederlandse, Tel Aviv nog altijd blijven steunen en zich medeplichtig blijven maken aan de Israëlische misdaden, terwijl de meeste bevolkingen aandringen op sancties. Maar ook die solidariteit is eindig, getuige bijvoorbeeld het steeds vastere voornemen van Den Haag om eindelijk de handel met Israëls illegale kolonies (‘nederzettingen’) te verbieden.
Voor Israël is het voornemen van Nederland en andere hondstrouwe Europese bondgenoten een teken aan de wand – een duidelijk signaal dat bij aanhoudend gewelddadig beleid de pariastatus onherroepelijk lonkt. Wil het niet compleet geïsoleerd raken, dan dient het zijn agressieve politiek in te ruilen voor een actief streven naar vrede, en om te beginnen zijn militairen en kolonisten na 59 jaar vanuit bezet Palestijns en Syrisch gebied terug naar huis te halen.
Die onvermijdelijke conclusie is in Israël echter nog altijd aan dovemansoren besteed. De regering en het overgrote deel van het parlement zweren onveranderlijk bij de lijfspreuk Living by the sword. Dat betekent in de eerste plaats dat het beleid van gewelddadige bezetting en kolonisering wordt voortgezet, en iedere vorm van verzet en tegengeweld met verzengend geweld wordt beantwoord. Het genocidale geweld in Gaza en Zuid-Libanon is daarvan het duidelijkste voorbeeld.
Het betekent ook dat iedere vorm van kritiek op Israëls optreden wordt beschouwd als een aanval die vergolden moet worden. Daarbij is een beschuldiging van antisemitisme vrijwel standaard inbegrepen. Zelfs VN-instanties, mensenrechtenorganisaties en goedbedoelende bondgenoten die Israël opriepen het internationaal recht te respecteren viel die eer te beurt, met als voornaamste gevolg dat het begrip antisemitisme inmiddels vrijwel betekenisloos is.
Kenmerkend is dat Israëls minister van Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar op 18 juni de banden verbrak met EU-buitenlandchef Kaja Kallas. Die zou Israëls Palestinapolitiek tijdens een besloten bijeenkomst in Mexico in mei hebben vergeleken met het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Een terechte vergelijking, maar Sa’ar betichtte haar op hoge toon van het verkondigen van een ‘bloedsprookje’, oftewel een antisemitische complottheorie. Met die krankzinnige beschuldiging impliceerde hij zélf dat niet de Israëlische regering, maar ‘de Joden’ verantwoordelijk zijn voor de geconstateerde apartheid – een klassieke vorm van antisemitisme. Met dit onzindelijke optreden zette Sa’ar een volgende stap richting pariastatus.
Kritische Joden blijft zulk verbaal geweld niet bespaard. Vorige maand noemde Israëls ambassadeur in Washington, Yechiel Leiter, de vooraanstaande Joodse organisatie J Street ‘een kanker binnen de Joodse gemeenschap’, nadat de organisatie opriep tot een fundamentele herwaardering van ‘the US-Israel security relationship’. Een week eerder bekritiseerde hij drie Joodse organisaties, waaronder het World Jewish Congress, vanwege hun medewerking aan een expositie in de Spaanse ambassade in Washington getiteld The Golden Age of the Jews of Al-Andalus. De reden: de Spaanse regering ‘belastert Israël’, aldus Leiter.
De reactie van Israël op de imagoschade blijft niet beperkt tot het aanvallen en verketteren van critici, maar omvat ook een verhoging van het nationale budget voor ‘publieke diplomatie’ (hasbara) oftewel propaganda. En hoe: het budget voor dit jaar bedraagt een kleine 640 miljoen euro en is een vervijfvoudiging van het budget voor 2025, schrijft The Times of Israel.
Israël is verwikkeld in een wereldwijde PR-oorlog, citeert de krant minister Sa’ar, en om de internationale ‘hearts and minds’ voor zich te winnen is forse verhoging van het budget noodzakelijk:
It should be like investing in jets, bombs, and missile interceptors. […] This is an existential issue.
Israël richtte ook een zware speciale afdeling voor hasbara op binnen het ministerie van Buitenlandse Zaken, aldus de krant, die ook een aantal bestedingen van het budget in 2025 achterhaalde. Daaronder waren advertentiecampagnes op sociale media, de ontvangst van vierhonderd delegaties – variërend van universiteitsbestuurders tot influencers – uit het buitenland, en de inrichting van een ‘media war room’ waar dagelijks 250 media en zo’n 10.000 Israël-gerelateerde items worden bekeken.
Daarnaast ging 3,5 miljoen euro naar een campagne gericht op evangelische kerken (vanwege de tanende liefde voor Israël onder jonge evangelische christenen), en 800.000 euro naar het beruchte Project Esther, op papier bedoeld om antisemitisme te bestrijden, maar in de praktijk een middel om pro-Palestijns activisme tot terrorisme en antisemitisme te bestempelen.
Ook de Israëlische krant Haaretz onthulde onlangs een aantal bestedingen uit het PR-budget, daarbij voortbordurend op publicaties in februari jl. en november 2025. Naast nadere informatie over de bovengenoemde bestedingen en de betreffende geldstromen bracht de krant onder andere een netwerk van propaganda-websites aan het licht, die onder het mom van neutrale en feitelijke content pro-Israëlische en anti-Palestijnse informatie bieden. In het verlengde van deze PR-bestedingen lanceerde Israël eerder deze maand een nieuwe toeristische campagne, primair gericht op de Amerikaanse markt, met als slogan I Am Israel.
Israël wijt de verkruimeling van zijn imago aan het falen van zijn publieke diplomatie. Het is er niet in geslaagd zijn verhaal duidelijk over het voetlicht te brengen, luidt de redenering, maar met extra middelen kan de PR-oorlog alsnog worden gewonnen. The Times of Israel laat enkele Amerikaanse deskundigen op het gebied van publieke diplomatie aan het woord die deze conclusie in twijfel trekken.
Een van hen herinnert zich dat hem en enkele van zijn collega’s in 2005 door de Amerikaanse regering werd gevraagd hoe de reputatieschade van de desastreuze invasie van Irak kon worden gerepareerd. ‘It’s the policy, stupid’, was hun antwoord. Oftewel: je kunt op onderdelen misschien een paar procent begrip winnen, maar mensen gaan uiteindelijk primair af op het feitelijke beleid, en niet op je vermogen dat te verkopen.
Een andere deskundige refereert aan de Vietnam-oorlog, toen een schat aan financiële middelen uit het Koude Oorlog-budget voor publieke diplomatie de VS niet kon behoeden voor een publicitaire ramp en uiteindelijk de aftocht van de Amerikaanse troepen. Zijn conclusie met betrekking tot Israël: ‘De geschiedenis laat zien dat al het geld van de wereld je niet zal helpen als je beleid verkeerd is.’