Coronavirus / Compassie met Gaza is in de Nederlandse politiek dun gezaaid

Nu in Gaza een grootschalige uitbraak van het coronavirus dreigt is druk op Israël om de aanvoer van medische hulpmiddelen toe te staan van kritisch belang. Of Den Haag daartoe bereid is moet echter worden betwijfeld.

Bij een bakkerij in Khan Yunis in de Gazastrook is ‘corona-gebak’ te koop, een creatief product waarmee de bakker de bevolking wijst op het belang van beschermingsmaatregelen. [c] Twitter / Hassan Eslayeh 

Het is op 16 april precies een jaar geleden dat de Tweede Kamer op uitgesproken wijze liet blijken weinig compassie te hebben met de bevolking van Gaza. Twee moties die waren ingediend naar aanleiding van het gruwelijke Israëlische geweld tegen Palestijnse betogers tijdens de ‘Grote Mars van Terugkeer’-demonstraties werden door een meerderheid van de Kamer verworpen. Als het om Gaza gaat spelen rechtvaardigheid en mensenrechten voor veel Haagse politici geen rol. Die houding doet het ergste vrezen nu een grootschalige uitbraak van het coronavirus dreigt in de overbevolkte landstrook, die al dertien jaar zucht onder een wurgende Israëlische blokkade.

Grote Mars van Terugkeer

Hoe zat het ook weer met die Grote Mars van Terugkeer? Het initiatief daartoe kwam van de Palestijnse journalist en vredesactivist Ahmad Abu Artema. Het idee werd geboren toen hij op een avond in januari 2018 vogels vanuit Gaza over het zogenoemde ‘grenshek’ naar Israël zag vliegen. Hij realiseerde zich dat het niet fair was dat de vogels vrij konden gaan waar ze wilden, terwijl twee miljoen Palestijnen opgesloten zaten in de kooi die Gaza heet. Hij voelde zich vleugellam, gekortwiekt en vond dat hij en andere Palestijnen ook het recht hadden uit te vliegen.

Op 30 maart 2018, iets meer dan twee jaar geleden, vond de eerste van een lange reeks wekelijkse betogingen plaats. Het Israëlische leger opende het vuur op de ongewapende betogers, onder wie die dag 16 doden en meer dan 1400 gewonden vielen. Het zou de opmaat blijken voor een lugubere traditie.

Tussen 30 maart 2018 en eind oktober 2019 werden volgens de VN 212 Palestijnse demonstranten door Israëlische scherpschutters gedood. Bijna achtduizend betogers werden door scherpe munitie gewond. De doden en gewonden waren mannen, vrouwen, jongens en meisjes. Vaders, moeders en kinderen. Journalisten, hulpverleners, fotografen, vredesactivisten en gewone burgers. Van de gewonden zijn velen blijvend invalide.

Een interview met zes scherpschutters in de Israëlische krant Haaretz gaf afgelopen maand een verbijsterend inkijkje in de moraal van de militairen; onbeschaamd schepten zij op over wie de meeste Palestijnen had verminkt. Het artikel is verplichte kost voor iedereen die in het thema geïnteresseerd is, schreef ook Carolien Roelants in NRC.

Grove misdaden

Rapporten van de Israëlische mensenrechtenorganisatie B’Tselem, het Palestijnse Al-Haq, Amnesty International, Human Rights Watch en Artsen zonder Grenzen bevestigden dat de militairen het internationaal recht en de universele mensenrechten schonden en misdaden tegen de menselijkheid pleegden. TV-beelden lieten zien hoe ongewapende demonstranten die zich op grote afstand van het grenshek bevonden of met hun rug naar de scherpschutters stonden werden gedood. Andere beelden toonden hoe kinderen die geen enkele bedreiging voor de militairen vormden werden neergeschoten. In een reconstructie die The New York Times maakte van het doodschieten van een medisch hulpverleenster werd zonder omhaal gesproken van een ‘oorlogsmisdaad’.

In het voorjaar van 2019 velde een door de VN-Mensenrechtenraad ingestelde onafhankelijke onderzoekscommissie een vernietigend oordeel over het Israëlische geweld. De onderzoekers constateerden grootschalige schendingen van het internationaal recht en de mensenrechten, en spraken van duidelijke aanwijzingen voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. De commissie constateerde dat Israël had verzuimd de schendingen te onderzoeken en verdachten te berechten, en riep het land op dat alsnog te doen. Bovendien riep ze op tot opheffing van de blokkade van de landstrook.

Het bewijs voor de misdaden was zo overtuigend, en de inhoud van het rapport zo overweldigend, dat zelfs buitenlandwoordvoerder Martijn van Helvert van het CDA (een partij die toch niet kan worden beticht van overdreven sympathie voor de Palestijnen) sprak van ‘moord’ op Palestijnen:

Er zijn daar 183 mensen vermoord, van welke kant boeit me niet. Er zijn daar 35 kinderen omgekomen. Er zijn zesduizend gewonden gevallen door wapens en 23 duizend door anderen zaken.

CDA laat het afweten

Maar toen op 16 april 2019 werd gestemd over een motie van de Kamerleden Sadet Karabulut (SP) en Lilianne Ploumen (PvdA) die opriep tot veroordeling van het Israëlische geweld stemde het CDA, en daarmee een meerderheid van de Tweede Kamer, tegen. Datzelfde lot trof een motie van Sjoerd Sjoerdsma (D66), waarin werd opgeroepen tot financiële compensatie van de slachtoffers en toegang tot adequate medische hulpmiddelen voor gewonden.

Dat de VVD, PVV, het FvD en de christelijke broeders van ChristenUnie en SGP het niet zo ophebben met mensenrechten en handhaving van het internationaal recht als het om de Palestijnen gaat was geen verrassing. Maar dat het CDA, dat het doodschieten van demonstranten als moord betitelde, tegen de beide moties stemde is niet te begrijpen.

Mensenrechten, rechtvaardigheid, barmhartigheid – het zijn waarden die de partij, mag je verwachten, zonder aanzien des persoons hoog in het vaandel draagt. Mocht het CDA moeite hebben gehad met de bewoording van de moties, dan had het, zoals te doen gebruikelijk, contact kunnen opnemen met de indieners om de formulering aan te passen. Natuurlijk had de partij ook zelf een motie kunnen indienen om een passend vervolg te geven aan wat ze de ‘moord op 183 mensen’ noemde. In de praktijk liet de partij het volledig afweten.

Straffeloosheid

Inmiddels een jaar verder lopen de plegers van de moorden nog altijd vrij rond. Eén Israëlische militair die een Palestijns kind had doodgeschoten is tot een maand werkstraf veroordeeld. Niet omdat hij in de ogen van de Israëlische autoriteiten een misdrijf had gepleegd, maar omdat hij zijn orders niet had opgevolgd.

In weerwil van de oproep van de onderzoekscommissie van de Mensenrechtenraad heeft Israël nauwelijks onderzoek ingesteld. Minister Stef Blok van Buitenlandse Zaken (VVD) stelde al in mei 2018 in de Tweede Kamer dat hij van Israël, als democratische rechtsstaat, een ‘onafhankelijk, onpartijdig, prompt en gedegen onderzoek’ verwachtte. Met ‘prompt’ bedoelde hij dat er ‘na de zomer’ van 2018 een onderzoeksrapport zou moeten liggen. We zijn nu bijna twee jaar verder en het rapport is er nog niet. Het zal er ook niet komen. En minister Blok laat het erbij.

De Israëlische blokkade is, eveneens in weerwil van de dringende oproep van de onderzoekscommissie, niet opgeheven. De bevolking van Gaza gaat nog altijd gebukt onder een permanente humanitaire crisis. Palestijnse kinderen sterven soms omdat ze geen uitreisvergunning van Israël krijgen voor een noodzakelijke medische behandeling die in Gaza niet beschikbaar is. Anderen sterven buiten Gaza, ver van hun familie, omdat zij wél een vergunning kregen maar hun ouders niet.

Druk op Israël noodzakelijk

In dit humanitaire spookhuis zijn inmiddels dertien besmettingen met het coronavirus geconstateerd. De bevolking en medisch deskundigen houden het hart vast. Gaza beschikt voor twee miljoen inwoners over slechts 65 intensive care-bedden, waarvan er circa twaalf beschikbaar zijn voor coronapatiënten. Hoewel er momenteel een door externe donoren gefinancierd laboratorium uit de grond wordt gestampt waar onder supervisie van een Chinees en een Israëlisch bedrijf grootschalige coronatests kunnen worden uitgevoerd, is het tekort aan andere hulpmiddelen nijpend. Zoals wij onlangs berichtten luiden tal van mensenrechten- en hulporganisaties de noodklok.

Het internationaal humanitair recht verplicht Israël, als bezettende mogendheid, de gezondheid van de bevolking van Gaza te garanderen. Dat kan het doen door zelf voldoende medische hulpmiddelen beschikbaar te stellen, of door een ongehinderde doorvoer van zulke middelen toe te staan. Oftewel: door de blokkade te beëindigen, in elk geval voor medische middelen en voor de duur van de coronapandemie.

Op grond van datzelfde humanitair recht is Nederland verplicht Israël op zijn verantwoordelijkheden te wijzen en druk op de regering-Netanyahu uit te oefenen. Valt dat van minister Blok te verwachten? En van het CDA, dat in de stemverhouding in de Tweede Kamer op dit dossier een sleutelpositie inneemt? Niet zonder forse druk vanuit de samenleving, zo valt te vrezen. Mensenrechten, rechtvaardigheid en mededogen zijn in hun ogen belangrijke waarden, maar een stuk minder belangrijk als het om Palestijnen en met name Gaza gaat.

Waardeert u ons journalistieke werk? Help ons dat voort te zetten.