Huisuitzettingen / Israëls Hooggerechtshof wast oorlogsmisdaden wit

Mogen de woningen van vier Palestijnse families in bezet Oost-Jeruzalem worden overgenomen door Joodse kolonisten? Het koloniseren van bezet gebied is een oorlogsmisdaad, maar de kans is groot dat Israëls hoogste gerechtshof er groen licht voor geeft, zoals het met tal van misdaden doet.

Een van vele demonstraties in Sheikh Jarrah tegen het overnemen van Palestijnse woningen door Israëlische kolonistenorganisaties. [c] Scoop Empire / Al-Araby 

‘Juridisch witwassen’ wordt het wel genoemd. Het goedkeuren van ernstige schendingen van het internationaal recht en de universele mensenrechten door Israëls juridische instanties, het Hooggerechtshof inbegrepen. Zo krijgen die schendingen een vernisje van legitimiteit.

De Israëlische bezetting van Palestijns gebied en de overheersing van de plaatselijke bevolking glanst van zulk vernis. Of het nu gaat om de bouw van illegale ‘nederzettingen’, het slopen van Palestijnse woningen, scholen en dorpen of het doden van Palestijnse burgers, het gebeurt allemaal met goedkeuring van de juridische instanties. Aan de misdaden als zodanig verandert dat vanzelfsprekend niets. Het koloniseren van bezet gebied is en blijft een oorlogsmisdaad, het systematisch vernielen of toe-eigenen van eigendommen eveneens, en het onderdrukken van miljoenen Palestijnen is en blijft een schending van zo’n beetje al hun mensenrechten.

De nog altijd gehoorde bewering dat Israël een voorbeeldige democratische rechtsstaat is hoort thuis op de afdeling mythologie. Het land kent de instellingen die bij een rechtsstaat horen, maar daar houdt het als het om Israëls Palestinapolitiek gaat mee op. Veel van de betreffende uitspraken van de juridische instanties zouden in geen enkele rechtsstaat standhouden. En de wetgeving waarop de rechters zich baseren evenmin. Die is extreem onrechtvaardig, zelfs racistisch, en wordt door Israël onrechtmatig op bezet gebied van toepassing verklaard.

Voor Palestijnen in bezet gebied betekent dit dat zij zich, wanneer zij bijvoorbeeld hun woning of land aan kolonisten of de Israëlische staat dreigen te verliezen, weliswaar tot de Israëlische rechter kunnen wenden, maar dat de wetgeving waarop die zich baseert hen bij voorbaat kansloos laat. De suggestie dat zij in het Israëlische juridische systeem hun recht kunnen halen is schijn. Dat systeem is onderdeel van het regime dat hen onderdrukt.

Sheikh Jarrah

De zaak van vier Palestijnse families in de wijk Sheikh Jarrah (Oost-Jeruzalem) die hun woningen dreigen te verliezen is een actuele illustratie. Na alle relevante lagen van het juridische systeem te hebben gepasseerd ligt die zaak nu bij het Hooggerechtshof. Een definitieve uitspraak wordt op korte termijn verwacht.

Zoals wij in een eerder artikel toelichtten worden de woningen van de families opgeëist door het Israëlisch-Amerikaanse bedrijf Nahalat Shimon Ltd., dat er Joodse kolonisten wil huisvesten. Het bedrijf claimt eigenaar te zijn van het land waarop de woningen zijn gebouwd. Dat zou het in 2003 hebben gekocht van de oorspronkelijke eigenaren, twee Joodse organisaties die eind 19e eeuw en begin 20e eeuw grond in Sheikh Jarrah aankochten. Daarop ontstonden de Joodse buurten Nahalat Shimon en Shimon HaTzaddik.

Aan de vooravond van de proclamatie van de staat Israël (14 mei 1948) en het geweld dat tot de scheuring van Jeruzalem in (Israëlisch) West en (Jordaans) Oost zou leiden, telden de buurten gezamenlijk circa honderd woningen. In februari 1948 droegen de toenmalige Britse autoriteiten de bewoners ‘voor hun eigen veiligheid’ op te vertrekken. Zij werden gecompenseerd met woningen in het westelijk stadsdeel, waaruit de Palestijnse bevolking en masse door Joodse strijdgroepen werd verdreven. Nadat Israël in 1967 Oost-Jeruzalem bezette en een begin maakte met de illegale vestiging van Joodse kolonisten in het stadsdeel, zochten de twee Joodse organisaties naar wegen om hun land weer in handen te krijgen. Die poging wordt door Nahalat Shimon Ltd. voortgezet.

De vier Palestijnse families werden in 1948 verdreven uit hun woningen in respectievelijk West-Jeruzalem, Haifa en Jaffa. Zij kwamen na de nodige omzwervingen ontheemd in Oost-Jeruzalem terecht. Daar tekenden zij in 1956 in op een huisvestingsproject in Sheikh Jarrah van de VN en de Jordaanse regering voor 28 families van vluchtelingen. In ruil voor het opgeven van hun vluchtelingenstatus verwierven zij het eigendom van de woningen.

De toegezegde formele overdracht van het eigendom was weliswaar nog niet afgerond toen Israël Oost-Jeruzalem in 1967 bezette, maar de bewoners beschouwen zich als de rechtmatige eigenaren. Vanaf 1972 hebben zij te maken met pogingen hun woningen over te nemen en zijn zij veroordeeld tot eindeloze juridische procedures in het Israëlische rechtsstelsel.

Racistische wetgeving

Nahalat Shimon beroept zich, net als voordien de Joodse organisaties, op een Israëlische wet uit 1970, de Legal and Administrative Matters Law. Die biedt Joden die vóór de stichting van Israël eigendom in Oost-Jeruzalem bezaten de mogelijkheid dat te claimen. De wet geldt alleen voor Joden. Palestijnse vluchtelingen die in dezelfde periode bezittingen in West-Jeruzalem of andere plaatsen achterlieten kunnen daar geen recht op doen gelden. Met het aannemen van de Absentee Property Law confisqueerde Israël in 1950 al hun achtergelaten eigendommen.

Tegelijkertijd weigert Israël tot de dag van vandaag het recht van terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen naar hun oorspronkelijke woonplaatsen te erkennen. Israël kent weliswaar een Wet op de Terugkeer, maar die geldt – opnieuw – alleen voor Joden, zelfs voor Joden die nooit in Israël zijn geweest en geen enkele binding met het land hebben.

Het evident onrechtvaardige en racistische karakter van de wetten maakt de juridische procedures waartoe de vier Palestijnse families zijn veroordeeld tot een klucht. De kans dat zij daaruit als winnaar tevoorschijn komen is, zo leert ook het juridische traject dat hen naar het Hooggerechtshof heeft gebracht, nihil. Daarvan zijn zij zich bewust, maar door tot de hoogste rechter te procederen hopen zij het noodlot zo lang mogelijk af te wenden en steun te mobiliseren voor hun strijd tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan.

‘Praktische regeling’

Begin deze maand vond een met veel belangstelling omgeven – er waren meer dan honderd journalisten aanwezig, alsmede diplomaten en demonstranten – zitting van het Hooggerechtshof plaats. Tot veler verrassing schoof het hof een definitieve uitspraak voor zich uit. Het stelde een ‘compromis’ voor, een ‘praktische regeling’. ‘Laten we van het niveau van principes naar het niveau van praktische zaken gaan’, zeiden de rechters. Duidelijk is dat zij in de maag zaten met de grote aandacht van de media en de explosieve situatie in Sheikh Jarrah en elders in Oost-Jeruzalem, die afgelopen mei leidde tot elf dagen van zwaar geweld tussen Israël en Palestijnse groeperingen in de Gazastrook.

De voorgestelde regeling hield in dat de Palestijnse families voorlopig in de woningen kunnen blijven en een laag bedrag aan huur (vierhonderd euro per jaar) aan Nahalat Shimon betalen. Zij en hun kinderen (die ten dele ook in de huizen wonen) zouden de status van ‘beschermde huurders’ genieten en enkele tientallen jaren in de woningen kunnen blijven.

Het voorstel viel in dorre aarde. De Palestijnse families zeiden open te staan voor een ‘praktische regeling’, maar weigerden het recht van Nahalat Shimon op de woningen te erkennen. Voor de vertegenwoordigers van Nahalat Shimon is die erkenning een harde voorwaarde om over een regeling te praten. Daarmee zit de zaak muurvast, tot wanhoop van de rechters, die druk op de Palestijnen uitoefenden om hun voorstel te accepteren. De Israëlische regering wendde zich in de dagen na de zitting tot de Amerikaanse regering met het verzoek de Palestijnse families tot acceptatie van het voorstel te bewegen, ‘voor het te laat is’. Op korte termijn volgt een nieuwe zitting van het Hooggerechtshof. Wanneer precies is nog niet bekend.

Oorlogsmisdaden

Het handjeklap waartoe het Hooggerechtshof nu zijn toevlucht zoekt gaat volledig voorbij aan de kern van de zaak, die in essentie uiterst eenvoudig is. Het is Israël onder internationaal recht – artikel 49 van de Vierde Conventie van Genève – verboden ‘delen van de eigen bevolking naar bezet gebied over te brengen’ en ‘delen van de bevolking van bezet gebied te deporteren of gedwongen te verplaatsen’. In het Statuut van Rome, het oprichtingsverdrag van het Internationaal Strafhof, worden beide praktijken gerekend tot de oorlogsmisdaden, en is gedwongen verplaatsing van de bevolking van bezet gebied bovendien een misdaad tegen de menselijkheid.

De VN-Veiligheidsraad heeft de Israëlische praktijken in Oost-Jeruzalem en elders in bezet gebied in de achterliggende decennia in een reeks bindende resoluties veroordeeld (laatstelijk in resolutie 2334 van 23 december 2016), en de Israëlische wetten en bestuurlijke maatregelen die de praktijken moeten ‘legitimeren’ tot ‘van nul en generlei waarde’ verklaard. Geen enkel land is gerechtigd de eigen wetten buiten de eigen grenzen toe te passen. In de resoluties wordt van Israël geëist dat het zich conformeert aan het internationaal recht.

De Hoge Commissaris voor de Mensenrechten van de VN, Michelle Bachelet, onderstreepte onlangs ten overvloede dat het toepassen van de eigen wetgeving en het confisqueren van privé-eigendommen in bezet gebied verboden is. ‘Het uitvoering geven aan deze wetten komt neer op het overbrengen door Israël van delen van de eigen bevolking naar bezet Oost-Jeruzalem. Dat is onder internationaal humanitair recht verboden en kan neerkomen op een oorlogsmisdaad’, waarschuwde zij via haar woordvoerder, die Israël tevens opriep de gewraakte wetten in overeenstemming te brengen met het internationaal recht.

Eerder deze maand maakte VN-chef António Guterres bekend dat hij de rechtszaak op de voet volgt. Het standpunt van de VN luidt onveranderd ‘dat alle koloniseringsactiviteiten, met inbegrip van huisuitzettingen, illegaal zijn onder internationaal recht’, voegde hij daar voor alle duidelijkheid aan toe.

Internationale gemeenschap medeschuldig

Maar hoe vaak de VN de veroordelingen van de Israëlische praktijken ook blijft herhalen, Israël trekt zich er niets van aan zolang het niet tot respect voor het recht wordt gedwongen. Van sancties wordt het land echter nog altijd uitgezonderd, niet alleen door de VN, maar ook door de EU en afzonderlijke regeringen, waaronder de Nederlandse. In de praktijk gedoogt de internationale gemeenschap de Israëlische praktijken in Oost-Jeruzalem en elders in bezet gebied, en is ze er in die zin medeschuldig aan.

Het is een oud en overbekend probleem. De internationale gemeenschap wordt al jaren door mensenrechten- en VN-organisaties gemaand het niet bij papieren veroordelingen te laten. In augustus 2009 bijvoorbeeld schreef het VN-Bureau voor Humanitaire Zaken in bezet Palestijns gebied (UN OCHA) met betrekking tot Sheikh Jarrah dat de internationale gemeenschap direct een eind diende te maken aan de Israëlische huisuitzettingen, en daarnaast de terugkeer diende te faciliteren van Palestijnen die hun woningen in de wijk waren ontnomen, alsmede Palestijnen die het risico van uitzetting liepen van juridische en andere bijstand diende te voorzien.

UN OCHA luidde de alarmbel nadat 53 Palestijnen, onder wie twintig kinderen, op straat waren gezet, zonder recht op compensatie of vervangende huisvesting. Ook zij maakten deel uit van de groep van 28 families die zich in 1956 in de wijk hadden gevestigd in de overeenkomst met de VN en de regering van Jordanië. De bezittingen van de 53 werden door de Israëlische autoriteiten in een vrachtwagen geladen en in de buurt van het VN-kantoor in Oost-Jeruzalem op straat gedumpt. In de zes maanden daarvoor waren in twee andere wijken, waaronder Silwan, 194 Palestijnen op straat gezet, onder wie 95 kinderen. Op het moment van schrijven liepen alleen al in Sheikh Jarrah nog eens 475 inwoners het risico op uitzetting.

De oproep van UN OCHA was aan dovemansoren besteed. Het kwaad werd op zijn beloop gelaten. Twaalf jaar later dreigen in Oost-Jeruzalem enkele honderden families hun woningen te verliezen, waaronder enkele tientallen in Sheikh Jarrah. In de wijk Silwan lopen tientallen zaken tegen Palestijnse bewoners, aangespannen door de kolonistenorganisatie Ateret Cohanim. In de in Silwan gelegen buurt Batan al-Hawa hangt volgens de Israëlische organisatie Peace Now ongeveer zevenhonderd Palestijnen huisuitzetting boven het hoofd. Het even bizarre als veelkoppige onrecht waarmee de Palestijnen in Oost-Jeruzalem te maken hebben werd eerder dit jaar prachtig beschreven door de in Jeruzalem wonende schrijver Nathan Thrall in het artikel A Day in the Life of Abed Salama.

‘Verjoodsing’ Oost-Jeruzalem

De Israëlische kolonistenorganisaties die proberen de woningen in Oost-Jeruzalem in handen te krijgen doen niet geheimzinnig over hun beweegredenen. In een video legt een woordvoerder van de kolonisten in Sheikh Jarrah uit dat het de bedoeling is Oost-Jeruzalem van zijn Palestijnse bevolking te ontdoen, huis voor huis, wijk voor wijk. Oost-Jeruzalem moet ‘Joods’ worden, ‘net als West-Jeruzalem’. Nahalat Shimon wil in Sheikh Jarrah bestaande bebouwing slopen en er een kolonie (‘nederzetting’) met tweehonderd woningen voor Joden bouwen.

Daarbij krijgen de kolonisten op twee manieren steun van de Israëlische autoriteiten: door middel van de genoemde wetgeving en rechtspraak worden huisuitzettingen ‘gelegitimeerd’, en door de stichting van kolonies in en rond Oost-Jeruzalem wordt het aantal Joodse inwoners opgevoerd. Sinds 1967 heeft Israël ruim 225 duizend burgers naar Oost-Jeruzalem overgebracht (cijfer 2019).

Peace Now benoemt de kern van de zaak door met betrekking tot Sheikh Jarrah te spreken van ‘een georganiseerde, programmatische inspanning, met ruime steun van de regering, om honderden Palestijnen uit hun huizen te verdrijven en ze te vervangen door kolonisten’. Daniel Seidemann, advocaat en oprichter van de organisatie Terrestrial Jerusalem, noemt het ‘gezamenlijke pogingen om de Palestijnen te verdrijven en te vervangen door kolonisten met een bijbelse motivatie’.

Mohammed al-Kurd, die tot een van de vier bedreigde Palestijnse families in Sheikh Jarrah behoort, spreekt in een uitzending van Democracy Now! van ‘een samenwerking tussen de kolonisten en de staat om de Palestijnen uit Sheikh Jarrah te verdrijven’. Het Israëlische juridische systeem omschrijft hij als ‘koloniaal en inherent partijdig’, en hij wijst erop dat meerdere rechters van het Hooggerechtshof zélf in illegale Israëlische ‘nederzettingen’ in bezet gebied wonen.

Kolonisten nemen ook ‘Joodse’ woning over

Hoe ver de kolonisten bereid zijn te gaan blijkt uit het feit dat zij zich, zoals twee maanden geleden bekend werd, in Sheikh Jarrah op slinkse wijze meester hebben gemaakt van een woning waarvan de eigenaar een in West-Jeruzalem wonende Joodse Israëli is: de voormalige rechter en procureur-generaal Michael Ben-Yair, een publieke bekendheid en schrijver van een boek over Sheikh Jarrah. Hij ontdekte twee jaar geleden tot zijn verbijstering dat de woning waarin hij in 1942 is geboren en die zijn grootmoeder hem heeft nagelaten in 2005 in kolonistenhanden is overgegaan, en de kolonisten enorme bedragen aan huur hebben geïnd van de daar wonende Palestijnen – met terugwerkende kracht tot 1967 zo’n 225 duizend euro. Ook hij is sindsdien verwikkeld in juridische procedures.

Ben-Yair behoorde tot de naar schatting vierduizend Joden die in 1948 uit het oosten van Jeruzalem en naburige dorpen (Atarot, Neve Yaakov) werden verjaagd. Tegenover de Israëlische krant Haaretz benadrukt hij dat hij en zijn lotgenoten destijds zijn gecompenseerd met een woning in West-Jeruzalem, waaruit al voor 14 mei 1948 alle 30 à 45 duizend Palestijnen waren verdreven, samen met 28 duizend Palestijnen uit de dorpen in het aangrenzende deel van het subdistrict Jeruzalem.

Aangezien de Palestijnse vluchtelingen niet zijn gecompenseerd en al hun bezittingen door Israël zijn geconfisqueerd, vindt Ben-Yair het niet meer dan rechtvaardig dat zijn woning wordt bewoond door Palestijnse vluchtelingen. Het overnemen van hun huizen noemt hij ‘illegaal en immoreel’: ‘Het is een fundamenteel gebrek aan fatsoen en in geen enkel rechtssysteem voorstelbaar dat ik zowel compensatie zou ontvangen als het eigendom waarvoor ik de compensatie heb ontvangen. Het zou ook betekenen dat Palestijnen voor de tweede keer vluchteling worden.’

Schimmige zaken

De zaak maakt niet alleen duidelijk hoe onverbiddelijk de kolonistenorgansaties hun missie uitvoeren, maar bovenal langs welke duistere wegen huisovernames hun beslag krijgen. Kolonistenorganisaties blijken eigendomsrechten in handen te krijgen zonder dat wordt nagegaan van wie de woningen daadwerkelijk zijn. De woning van Ben-Yair is aan de kolonisten overgedragen omdat uit onderzoek zou zijn gebleken dat er geen wettige eigenaren bekend zijn. Die zijn echter in het bevolkingsregister makkelijk te vinden.

Palestijnen verwijten Israëlische rechters al jaren dat documenten waaruit hun eigendomsrecht onomstotelijk zou blijken aan de kant worden geschoven, en organisaties als Peace Now hebben geregeld gevallen van fraude met eigendomsdocumenten vastgesteld. Niettemin krijgen de kolonisten gewoonlijk groen licht van Israëlische rechters.

De schimmigheid strekt zich ook uit tot de betrokken kolonistenorganisaties zelf. Nahalat Shimon Ltd. is een bedrijf waar een ‘ingewikkelde lappendeken van obscure overzeese bedrijven’ achter schuilgaat, schreef de Israëlische onderzoeksjournalist Uri Blau onlangs in The Forward. Zeker is dat de firma optreedt namens (organisaties van) Israëlische kolonisten, maar onduidelijk is wie dat precies zijn en waar de miljoenen vandaan komen die Nahalat Shimon volgens Blau te besteden heeft. Zijn onderzoek laat zien dat het bedrijf wortels en vertakkingen heeft in gekende belastingparadijzen als Delaware, waar het bedrijf ook geregistreerd zou staan, en de Marshall-eilanden, maar ook in Liberia, New Jersey en Nederland, waar de firma’s Jasa Beheer en Shimon Hazadik in het verhaal opduiken.

Waardeert u ons journalistieke werk? Help ons dat voort te zetten.