Martijn de Rooi

Martijn de Rooi is redacteur en schrijver en werkt voor The Rights Forum.

13 april 2022 Lees meer over

Treife als de pest

Overal ter wereld beschuldigen pro-Israël-activisten andersdenkenden klakkeloos van antisemitisme. Het is het wapen bij uitstek om critici van Israëls bezettingsregime monddood te maken.

Advertentie in Amerikaanse media waarin het Simon Wiesenthal Center oproept tot een boycot van het ‘antisemitische ijs’ van Ben & Jerry’s. De advertentie is een schoolvoorbeeld van de campagnes die pro-Israël-organisaties overal ter wereld voeren tegen bedrijven en organisaties die kritiek hebben op Israëls bezettingsregime.

Wie is hier nu eigenlijk treife? Die vraag drong zich op na lezing van de artikelen en beluistering van de podcast van Esther Voet over The Rights Forum, de organisatie waarvoor ik werk. Zij noemt mijn collega’s en mij ‘zo treife als de pest’. Dat is een beschuldiging – ‘treife’ betekent zoveel als ‘onrein’ en ‘verdacht’ – die om een reactie vraagt.

Wat zit de hoofdredactrice van het Nieuw Israëlietisch Weekblad (NIW) dwars? Van alles, zo blijkt, maar vooral dat we volgens haar een antisemitische streek hebben uitgehaald. We hebben een Wob-verzoek ingediend waarin universiteiten wordt gevraagd naar hun institutionele banden met onder (veel) meer Joodse organisaties die een reputatie hebben als pro-Israëlische lobbykantoren. Voet wil doen geloven dat ze zijn gekozen vanwege hun Joodse karakter. Volgens haar maken wij met het ‘antisemitische’ Wob-verzoek – houd u vast – ‘jacht op Joden’.

Bel de politie, zou ik zeggen. Doe aangifte. Meteen. Maar dat deed Voet niet. Geen wonder, de veldwachter ziet haar al aankomen. De gedachte alleen al dat wij een sinistere ‘Jodenjacht’ beramen is mesjogge. En onmogelijk te rijmen met het feit dat binnen The Rights Forum vijf Joden actief zijn, allen opgegroeid in gezinnen van Holocaust­overlevenden. Ik ben een van hen.

Het gaat Voet dan ook niet om het aan de kaak stellen van antisemitisme. Dit is de beproefde wijze waarop het NIW omgaat met organisaties en personen met onwelgevallige opvattingen rond de kwestie-Palestina. Maak ze verdacht. Gil heel hard ‘antisemitisme!’, want dat tikt in Nederland, met zijn onverwerkte schuldgevoelens, aan. Het is de specialiteit van het NIW-huis, helemaal sinds redacteur Bart Schut zijn stempel daarop drukte. Alleen al op Twitter heeft hij op een haar na heel Nederland van antisemitisme en nazisympathieën beschuldigd. Hij geldt als geestelijk vader van de slogan ‘twiet, twiet, twiet, iedereen antisemiet’.

Complete ministeries belandden op de hitlist van deze niet-Joodse grootinquisiteur. Ook hele politieke partijen gingen door de NIW-gehaktmolen. Met name de PvdA moest het ontgelden. Die partij is ‘dol op dode Joden, de levende mogen de zee in worden gedreven’, schreef Schut. Maar ook D66, GroenLinks, DENK, BIJ1, de SP en de ‘Van Agt-vleugel van het CDA’ zijn volgens Voet en Schut ‘institutioneel antisemitisch’. Bijna de helft van het parlement bestaat volgens het duo uit antisemieten – niet toevallig het deel dat niet onvoorwaardelijk in de pas loopt met Israëls wrede Palestina-politiek.

Dat is ook de reden waarom The Rights Forum, omschreven als ‘de antisemitische lobby’ en het ‘door de ouwe antisemiet Dries van Agt opgerichte antisemietenforum’, al jaren op aandacht van het NIW kan rekenen. Wij stellen dat een duurzame oplossing van de kwestie-Palestina, in welke politieke vorm ook, gebaseerd dient te zijn op het internationaal recht – een maatstaf die voor alle betrokken partijen even zwaar weegt. Dat is vloeken in de NIW-kerk. Gelijke rechten voor Joden en niet-Joden, stel je voor! Met dat standpunt zijn we er stiekem op uit ‘Israël als Joodse staat van de kaart te vegen’, stelt Voet.

Antisemitisme­karavaan

Voet trok niet in haar eentje ten strijde, maar zoals gebruikelijk met de complete antisemitisme­karavaan, het bonte gezelschap van Joodse en christelijke organisaties en sympathiserende politici en journalisten dat altijd klaarstaat om het zwaard op te nemen als Israëls belangen daarom vragen. Dat met name het christelijke smaldeel van dit ook als ‘pro-Israël-lobby’ bekende ensemble niet van antisemitische smetten vrij is wordt ruimhartig gedoogd. De missie gaat boven alles, en die luidde ditmaal: saboteer het Wob-verzoek. Maak The Rights Forum verdacht en zet de universiteiten onder druk. Je zou nog gaan denken dat er dingen te verbergen zijn.

De missie luidde ditmaal: saboteer het Wob-verzoek. Maak The Rights Forum verdacht en zet de universiteiten onder druk. Je zou nog gaan denken dat er dingen te verbergen zijn.

Georganiseerde hysterie, een andere benaming is er niet voor de tsunami van wartaal waarmee deze coalitie ons overspoelde. Ons Wob-verzoek zou een ‘klopjacht op Joden’ zijn, een heuse ‘razzia’. We zouden de ‘Ariërverklaring’ willen herinvoeren en Joodse studenten en academici willen ‘verplichten gele sterren te dragen’. De universiteiten zouden door ons ‘worden gedwongen al hun contacten met Joden prijs te geven, zoals burgemeesters zich tijdens de Tweede Wereldoorlog door de nazi’s gedwongen voelden de gegevens van Joden te overhandigen’. Ons ultieme doel zou, het zal niemand nog verbazen, het ‘Judenrein maken van Nederland’ zijn.

Geen van deze verontruste organisaties en burgers deed aangifte. Ook de honderden opgezweepte dapperen die onze mailboxen deden overlopen en onze voicemails volblaften (‘Smerige nazi’s, vraag maar vast beveiliging aan!’) lieten dat na.

De intimiderende vergelijkingen met de jaren 1940-1945 zijn geen uitzondering, maar het geijkte middel waarmee pro-Israël-activisten overal ter wereld andersdenken de mond proberen te snoeren. Ze getuigen van een diepe kwaadaardig­heid. De minachting die eruit spreekt voor wat zich in die inktzwarte jaren werkelijk heeft afgespeeld is stuitend. Opvallend genoeg leidt dit bagatelliseren van het naziregime, de Holocaust en het antise­mitisme in andere gevallen juist tot hevige verontwaardiging bij de activisten. Dan heten zulke vergelijkingen ‘kwetsend voor Joden’ en is er al snel sprake van, jawel, antisemitisme.

Alles mag kapot

In deze strijd is niets heilig. Alles mag kapot, is ook het motto van de parlementaire tak van de antisemitismekaravaan. Liefst vier Israël-getrouwe partijen dienden Kamervragen in over ons Wob-verzoek. De SGP vroeg twee ministers of zij ons verzoek niet ook antisemitisch vinden. En welke mogelijkheden zij zien om het te ondermijnen. Ook de termen ‘laakbaar’, ‘strafbaar’ en ‘onveilig’ vloeiden soepel uit de pen van de partij die volledig vergroeid is met het Israëlische regime van bezetting, illegale kolonisering en apartheid. Oorlogsmisdaden geen bezwaar.

ChristenUnie-voorman Gert-Jan Segers verzocht de minister van Justitie meteen maar het Wob-verzoek ontoelaatbaar te verklaren. En The Rights Forum te sommeren dergelijke ‘irrelevante en intimiderende’ verzoeken voortaan achterwege te laten. Openlijk riep hij de universiteiten op hun wettelijke plicht om aan het Wob-verzoek mee te werken aan de laars te lappen. De wet is namelijk ‘strijdig met ethiek en moraal’, verkondigde de leider van de partij die een diepe minachting voor Palestijnen en de internationale rechtsorde koestert en met hart en ziel verbonden is met Israëls extremistische en racistische kolonistenbeweging.

Segers kreeg steun van collega-Kamerlid Ulysse Ellian van de VVD, evenmin te beroerd om de bijl aan de wortels van de rechtsstaat te zetten nu het Israël-kritische spook de kop opstak. Zie hoe hij op Twitter de gemoederen extra verhitte met dit gefabuleerde angstbeeld: ‘Stel je bent Joods en dan wordt aan de (semi)overheid die er voor jou hoort te zijn, gevraagd om alle contacten met Joden te openbaren.’

Intimiderende vergelijkingen met de jaren 1940-1945 zijn het geijkte middel waarmee pro-Israël-activisten andersdenken de mond proberen te snoeren. De bagatellisering van het gruwelijks dat zich in die dagen heeft afgespeeld is stuitend.

De prijs voor een verdienstelijk debuut in de politieke klucht ging naar Caroline van der Plas, het relatief nieuwbakken BBB-Kamerlid dat zich als een op hol geslagen tractor bij de karavaan voegde. Wordt het niet tijd The Rights Forum zijn ANBI-status te ontnemen en ieder contact met het ministerie van Buitenlandse Zaken te ontzeggen?, wilde zij van twee ministers weten. Want onderhoudt de organisatie niet via-via banden met de ‘terreurgroepen Hamas en de PFLP’?

Antisemitisch én terroristisch, het is in het pro-Israëlische actiewezen de winnende combinatie, de heilige graal waarnaar obsessief wordt gezocht. Als paparazzi in het struikgewas speuren hele organisaties het internet af naar de minste aanwijzing die de vijand in diskrediet kan brengen. Een foto waarop iemand te zien is met een neef van de postbode van de derde secretaris van de PFLP. Een halve zin uit een Facebookbericht uit 2014 die achterstevoren gelezen als antisemitisch kan worden opgevat. En steeds als je denkt dat zelfs paparazzi niet dieper kunnen zinken blijkt het nóg armzaliger te kunnen.

Misschien wil iemand Van der Plas influisteren dat meerdere van haar collega’s in het parlement veel directere contacten met ‘terreurgroepen’ als de PFLP hebben dan wij. En nog veel meer collega’s, en zelfs ministers, warme banden koesteren met Israëlische politici die zich zeer waarschijnlijk in de nabije toekomst in Den Haag moeten verantwoorden voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Zij hebben minstens zoveel terreur op hun geweten als Hamas en de PFLP.

Duivel in eigen persoon

Van der Plas bedacht haar Kamervragen niet zelf. Die waren het resultaat van een één-tweetje tussen een fractiemedewerker en een bevriende ex-medewerker van lobbyorganisatie Centrum voor Informatie en Documentatie Israël (CIDI). De eerste, Dennis de Witte, was enige tijd werkzaam op de Israëlische ambassade en actief binnen het fel pro-Israëlische StandWithUs Nederland. De ander, Akiva van Koningsveld, onderscheidde zich al in zijn CIDI-tijd door de verbetenheid waarmee hij Jan en alleman van antisemitisme en terreurbanden beschuldigde en probeerde bijeenkomsten verboden te krijgen. Ook voor hem is The Rights Forum de ‘virulent anti-Israëlische en anti-Joodse’ duivel in eigen persoon – zeg maar zo treife als de pest.

De illegale Israëlische kolonie Eli (achtergrond), woonplaats van de voormalige CIDI-medewerkers Van Koningsveld en Kortenoeven, gezien vanuit het Palestijnse dorp Qaryut. Eli werd gebouwd op land van Qaryut en twee andere Palestijnse dorpen. [c] Dror Etkes / Kerem Navot

Tegenwoordig woont Van Koningsveld in de illegale Israëlische kolonie Eli in bezet Palestijns gebied. Van daaruit bevecht hij ons en ons Wob-verzoek in dienst van het propagandaplatform met de ironische naam Honest Reporting. Namens dit platform riep hij de Nederlandse regering en de Belastingdienst op een onderzoek naar onze ‘terreurbanden’ in te stellen. Lezers werden aangemoedigd dat voorbeeld per e-mail te volgen. Eind februari kreeg hij de lachers op zijn hand door de Kamervragen van Van der Plas te publiceren met de opmerking dat zij die een dag eerder had ingediend. In werkelijkheid deed Van der Plas dat pas een week later. Met zijn uitglijder maakte Van Koningsveld duidelijk dat hij betrokken was bij het opstellen van de vragen, en dat BBB zich leent voor de rol van doorgeefluik van laster van de meest extreme pro-Israël-activisten.

Dat Israëls ‘nederzettingenproject’ in Palestijns gebied onder internationaal recht een oorlogsmisdaad is geldt in Van Koningsvelds kolonistenkringen als onbetekenend. Erger nog, volgens de hardcore kolonisten is het niet Israël, maar zijn het ‘de Joden’ die de hand hebben in de diefstal van Palestijns land. Je hoeft geen expert te zijn om daarin een klassieke vorm van antisemitisme te herkennen. En ja, ook Van Koningsveld trivialiseert de Jodenvervolging door ons Wob-verzoek te vergelijken met het dwingen van Joodse studenten ‘een gele ster te dragen’.

Daarbij kreeg hij steun van een tweede kolonist uit de CIDI-school die zich in Eli heeft gevestigd, het voormalige PVV-Kamerlid Wim Kortenoeven. Ook hij voert een kruistocht tegen The Rights Forum die bol staat van de Holocaust-bagatellisering. Niets zo leuk als vanuit zijn illegale woonplaats de bij The Rights Forum werkzame Joden uit te maken voor de SS Einzatsgruppen die hun families naar concentratiekampen afvoerden en decimeerden. Afgelopen zomer riepen we hem op aangifte tegen ons te doen. Dat bleek te veel gevraagd. Voor extra effectbejag spuwde hij zijn gif ditmaal in het Duits.

Waar waren eigenlijk de andere politieke partijen? Die hadden bij de eerste schermutselingen de schuilkelders opgezocht. Daar zaten ze bibberend onder tafels en achter stoelen, net als toen het oordeel ‘antisemiet’ over henzelf werd uitgesproken. Pas maar op, straks sta je wéér als antisemitische centerfold in het NIW. Ook vooraanstaande media als NRC en de Volkskrant hielden zich afzijdig, om dezelfde reden.

Wij van WC-Eend

De pro-Israëlische lobbyorganisaties uit ons Wob-verzoek kwamen intussen woorden te kort om het eigen en elkaars blazoen op te poetsen: wij van WC-Eend zijn respectabele organisaties die Joodse belangen behartigen en ons met nobele zaken bezighouden, zoals de bestrijding van antisemitisme. Nog afgezien van het feit dat zij geen enkel mandaat hebben om andere dan de eigen belangen te behartigen, geven de hysterische reacties op ons verzoek een ander beeld. Wij van The Rights Forum constateren dat antisemitisme voor veel van deze organisaties ook en vooral een politiek wapen is, waarmee gewetenloos op Israël-kritische organisaties wordt ingehakt. Daar is geen Joods belang – en in mijn visie overigens ook geen Israëlisch belang – mee gediend, integendeel.

Niet voor niets propageren al deze organisaties de notoire ‘IHRA-werkdefinitie van antisemitisme’ – een persiflage op een definitie die de mogelijkheid biedt vormen van Israël-kritiek tot antisemitisme te bestempelen. Met steun van hun politieke bondgenoten trekken zij de deuren van bestuurlijk Nederland langs om het vehikel aan de man te brengen. Het Wob-verzoek zal mogelijk uitwijzen of ook de universiteiten ermee worden bestookt. De academische wereld is een van de terreinen waarop de definitie wereldwijd wordt ingezet om Israël-kritische personen en organisaties verdacht te maken en het zwijgen op te leggen.

De Amerikaanse organisatie Jewish Voice for Peace stelt terecht dat de IHRA-definitie minder te maken heeft met de bescherming van Joden tegen antisemitisme dan met het bestendigen van straffeloosheid voor het decennialang schenden van het internationaal recht en het vertrappen van Palestijnse mensenrechten door Israël.

Het geleur met de definitie onderstreept nog eens hoezeer Joodse belangen bij deze organisaties – onder meer CIDI, NIW en Centraal Joods Overleg – ondergeschikt zijn aan pro-Israëlische agenda’s. In plaats van binnen de Joodse gemeenschap het noodzakelijke debat over de definiëring van antisemitisme te entameren, zoals van organisaties die pretenderen die gemeenschap te vertegenwoordigen mag worden verwacht, drammen zij een giftige definitie door waartegen met name in Joodse kring wereldwijd fundamenteel verzet bestaat. Kritiek uit die kring wordt echter steevast genegeerd.

Het feit dat uitgerekend Joden en Joodse organisaties vaak het slachtoffer van de definitie zijn accentueert het kwaadaardige karakter van het IHRA-activisme nog scherper. Als schrikbarend voorbeeld mag de onder IHRA-banier gevoerde heksenjacht op zogenaamde ‘antisemieten’ binnen de Britse Labour Party gelden: Joodse partijleden worden verhoudings­gewijs vijf maal zo vaak als ‘antisemiet’ geschorst of geroyeerd als niet-Joodse leden. Ook in landen als Frankrijk en Duitsland zijn Joden relatief vaak de dupe van ingrijpende, onder IHRA-vlag ingestelde maatregelen die terecht ook het predicaat heksenjacht kregen.

Hoe letterlijk Joden met Israël-kritische opvattingen door een organisatie als het CIDI als ongewenste vreemdelingen worden beschouwd ondervonden enkele collega’s en ik aan den lijve. Het weigerde ons de toegang tot een door het CIDI georganiseerde lezing van Sigrid Kaag, waarvoor de minister ons persoonlijk had uitgenodigd. Voorzitter Ron Eisenmann loog dat wij het CIDI een ‘fascistische organisatie’ hadden genoemd. Directrice Hanna Luden klaagde dat we haar organisatie ‘voortdurend aanvallen en zwartmaken’.

Het CIDI koppelt afwijzing van de rechten van de Palestijnen aan het verspreiden van Israëlische propaganda en leugens. De bijnaam ‘Centrum Indoctrinatie en Desinformatie Israël’ is welverdiend.

Het CIDI is een voorbeeld bij uitstek van de vele pro-Israëlische lobbyorganisaties die wereldwijd actief zijn. Het koppelt afwijzing van de rechten van de Palestijnen aan het verspreiden van Israëlische propaganda en leugens over zulke uiteenlopende onderwerpen als Palestijnse vluchtelingen, de Israëlische bezetting en de VN-Veiligheidsraad. De bijnaam ‘Centrum Indoctrinatie en Desinformatie Israël’ is welverdiend. Grimmig keert het CIDI zich tegen uitingen van solidariteit met de Palestijnen, die met behulp van de IHRA-definitie tot ‘antisemitisme’ worden bestempeld. In de afgelopen jaren was het betrokken bij tal van lastercampagnes tegen zogenaamd ‘anti-Israëlische’ krachten, variërend van Sigrid Kaag, Dries van Agt en The Rights Forum tot een vliegerfestival, academisch debat, Palestijnse ‘terreur-ngo’s’ en de BDS-beweging.

Zoals veel van dit soort organisaties begeeft het CIDI zich geregeld zelf in troebel water door de begrippen ‘Israëlisch’ en ‘Joods’ te vereenzelvigen, een fenomeen dat het juist als antisemitisch zegt te bestrijden. Ook de langdurige innige banden met een extreemrechtse, fervent pro-Israëlische partij als Forum voor Democratie, waaraan pas een einde kwam toen het antisemitisme binnen die partij door alle media breed was uitgemeten, zijn niet uitzonderlijk binnen het internationale pro-Israël-activisme.

Haags paternalisme

Maar het zijn niet alleen organisaties als het CIDI waarvan de Joodse gemeenschap weinig te verwachten heeft. Ook politiek Den Haag laat het afweten. Eind 2018 omarmde de Tweede Kamer de IHRA-definitie na een intensieve lobbycampagne van de antisemitismekaravaan, met de SGP als politieke gangmaker. Die partij had geen geheim gemaakt van haar motieven: het als antisemitisch kunnen brandmerken van de BDS-beweging. Ondanks de bij alle partijen bekende gevaren en bezwaren stemde de Kamer in, zonder wezenlijk debat en zonder Joods Nederland bij het besluit te betrekken.

Vraag aan Den Haag: moet over een belangrijk onderwerp als de definiëring van antisemitisme niet binnen de Joodse gemeenschap een zekere consensus bestaan? Moet die gemeenschap niet op z’n minst geraadpleegd worden over nut, noodzaak en inhoud van een definitie, en de kans krijgen zich daarover uit te spreken? Of misschien moet ik het eerbiediger formuleren: geachte parlementariërs, mogen Joodse Nederlanders meepraten over antisemitisme? Alstublieft?

Hoe bizar ook, dat is anno 2022 niet vanzelfsprekend. Ten aanzien van Joden geldt in Den Haag een archaïsch aandoend paternalisme. Zij moeten er maar op vertrouwen dat de Kamer beter weet wat antisemitisme is dan zijzelf. En dat hun belangen in goede handen zijn bij godbetert de SGP, wiens radicaal pro-Israëlische programma niet van antisemitisme gespeend is. Zoals dat ook geldt voor de ChristenUnie en christelijke organisaties in andere landen die zich ongevraagd als behartiger van Joodse belangen opwerpen.

Zonneklaar is dat de Kamer zich de ondeugdelijke definitie door de IHRA-lobby heeft laten opdringen. Op de SP, DENK en de Partij voor de Dieren na boog de ene na de andere fractie voor de druk en de dreiging van antisemitisme te worden beschuldigd. Ook in andere landen voltrok zich dit scenario.

In reactie op die funeste ontwikkeling zagen inmiddels twee alternatieve definities het licht. In de VS stelde de (Joodse) Nexus Task Force een witboek, een leidraad en een definitie op. Een internationale coalitie van (voornamelijk Joodse) deskundigen op het terrein van Joodse en antisemitismestudies ontwikkelde de Jerusalem Declaration on Antisemitism (JDA). Met name de laatste is een grote stap voorwaarts en heeft, anders dan de IHRA-definitie, een breed internationaal draagvlak, ook onder Joden.

Geachte parlementariërs, mogen Joodse Nederlanders meepraten over antisemitisme? Alstublieft?

De vraag is nu hoe lang het nog duurt voor de Kamer erkent dat de bestrijding van antisemitisme geen gepolitiseerde definitie en pro-Israëlisch lobbyisme verdraagt. En dat het geen vrijblijvende optie, maar een verplichting is Joodse Nederlanders actief te betrekken bij de definiëring van het fenomeen dat juist hen raakt. Vraag is ook wanneer de media, die zich opnieuw opvallend afzijdig houden, inzien dat dit onderwerp te belangrijk is om aan bange politici over te laten. Een breed debat, waarin het antisemitisme binnen de algemenere context van racisme aan de orde wordt gesteld, is geen luxe, maar noodzaak. Het zou een uitstekende besteding zijn van de zogeheten Maror-gelden, de Joodse restitutie­gelden die nu maar al te vaak voor discutabele of zelfs oneigenlijke doeleinden worden gebruikt.

Bankoverval

Groot was binnen de antisemitismekaravaan de verontwaardiging dat wij ook bekende internationale organisaties als het Simon Wiesenthal Center in ons Wob-verzoek hebben opgenomen. Ook dat zijn toch eerbiedwaardige instellingen, klonk het alom – ‘organisaties die antsemitisme willen bestrijden’, zoals Esther Voet ze noemt, daaraan toevoegend: ‘Dat is voor The Rights Forum blijkbaar verdacht.’

Ik herinner me nog goed hoe de Oostenrijkse nazi-jager Simon Wiesenthal vroeger bij ons thuis als een held werd gezien. Hoe mijn moeder aan de transistorradio gekluisterd zat als er nieuws was over zijn activiteiten, de tranen in de ogen. Des te dramatischer is het dat het naar hem genoemde centrum het operatieterrein heeft verbreed en verbeten jacht maakt op alles en iedereen met zogenaamd anti-Israëlische opvattingen. Het centrum belichaamt alles wat het internationale pro-Israël-activisme kwaadaardig en destructief maakt.

Zie hoe het er met een weerzinwekkende campagne in slaagde de bankrekening van het Duits-Joodse Jüdische Stimme für gerechten Friede in Nahost opgeheven te krijgen. Die organisatie had zich solidair verklaard met de Palestijnse BDS-oproep en riep daarmee een gecoördineerde actie over zich af. Tientallen Duitse, Israëlische en Amerikaanse organisaties en politici van Joodse en christelijke huize richtten de pijlen op de bank van de organisatie, in samenwerking met de Israëlische regering, Israëlische media als The Jerusalem Post, de Amerikaanse ambassadeur in Duitsland en de controversiële Duitse ‘speciale beambte voor het joodse leven en de strijd tegen het antisemitisme’, de evenknie van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding in ons land.

Voorzitter Iris Hefets van de organisatie Jüdische Stimme für gerechten Friede in Nahost (midden) neemt de Vredesprijs van de stad Göttingen in ontvangst, maart 2019.

De bank werd onder enorme druk gezet om Jüdische Stimme als klant te dumpen vanwege het ‘antisemitisme’ en de ‘terreurbanden’ van de organisatie, die in 2019 nota bene de beroemde Vredesprijs van de stad Göttingen ontving. Het Wiesenthal Center nam de bank op in de jaarlijkse Mondiale Antisemitisme Top-10, waarna de bankiers door de knieën gingen en de banden met Jüdische Stimme verbraken.

Het was voor het eerst sinds de dagen van het naziregime dat een Duitse bank de rekening van een Joodse organisatie ophief. Ook in andere Europese landen wist het Wiesenthal Center in samenwerking met Israëlische en lokale organisaties en politici bankrekeningen opgeheven te krijgen, en ook in Nederland staan financiële instellingen onder druk. De overeenkomst met de campagne tegen The Rights Forum en de Nederlandse universiteiten – die ook onder de druk bezweken – en tegen ‘institutioneel antisemitische’ Nederlandse politieke partijen is evident.

Antisemitisch ijs

Niets illustreert de politieke agenda van het Wiesenthal Center beter dan zijn huidige campagne tegen de Amerikaanse ijsproducent Ben & Jerry’s. Consumenten en winkeliers worden opgeroepen de populaire ijsmaker te boycotten, aandeel­houders aangemoedigd hun beleggingen in moederbedrijf Unilever van de hand te doen en Amerikaanse staten gemaand beide bedrijven op zwarte lijsten te zetten. Op alle fronten wordt oorlog gevoerd tegen wat het Wiesenthal Center ‘antisemitisch ijs’ heeft gedoopt.

De reden? Ben & Jerry’s kondigde afgelopen juli aan de ijsverkoop in Israëls illegale ‘nederzet­tin­gen’ in bezet Palestijns gebied per 1 januari 2023 te zullen staken. Het bedrijf voegde zich daarmee naar de internationale gedragscodes die voorschrijven dat productie- en verkoopketens vrij van schendingen van mensenrechten dienen te zijn. Economische betrokkenheid bij het Israëlische koloniseringsproject valt daarmee niet te rijmen. Nadrukkelijk verklaarde Ben & Jerry’s wel in Israël zelf actief te blijven.

De Israëlische regering reageerde op de gebruikelijke wijze: uitzinnig en wraakzuchtig. Ze beschuldigde Ben & Jerry’s en Unilever van een ‘boycot van Israël’, ‘economisch terrorisme’, ‘steun aan terreurorganisaties’, ‘antisemitisme’ en – het kan niet op – ‘ontmenselijking van het Joodse volk’. Direct klonk de roep om een consumentenboycot en werden de Joodse en christelijke bondgenoten in de Verenigde Staten onder de wapenen geroepen. De 33 Amerikaanse staten die onder druk van diezelfde bondgenoten zogenoemde ‘anti-BDS’-wetten hebben aangenomen werden per brief aangespoord Ben & Jerry’s uit te sluiten van commerciële relaties.

‘Stop Jodenhaat’ – demonstratie bij een winkel van Ben & Jerry’s in New York. [c] Luke Tress / Flash90

Het Wiesenthal Center kwam direct in actie. Het organiseerde demonstraties bij winkels van Ben & Jerry’s, riep in advertenties op tot een boycot en nam Unilever op in zijn meest recente Mondiale Antisemitisme Top-10. Daarin staan ook de bekende Joodse organisatie Jewish Voice for Peace en liefst twee vooraanstaande Europese omroepen, de BBC en Deutsche Welle. Een campagne tegen de laatste had meteen succes: de omroep ontsloeg onlangs zeven Palestijns- en Libanees-Duitse journalisten wegens ‘antisemitisme’.

Bijbelse Iron Dome

In de kruistocht tegen het antisemitische ijs strijdt het Wiesenthal Center schouder aan schouder met andere Joodse organisaties als B’nai B’rith, dat eveneens in ons Wob-verzoek is opgenomen. B’nai B’rith voert ook buiten de VS campagnes – in buurland Canada bijvoorbeeld tegen het verlenen van werkvergunningen aan buitenlandse academici die kritiek op Israël hebben.

Zeker zo belangrijk is de steun van christelijke organisaties die Israëls overheersing van de Palestijnen op bijbelse gronden toejuichen. Het bekendste voorbeeld is het machtige (meer dan tien miljoen leden) Christians United for Israel (CUFI) van pastor John Hagee. De CUFI-voorman is berucht vanwege zijn opvatting dat de ‘Joodse halfbloed’ Adolf Hitler door God was uitverkoren om te helpen het Joodse volk ‘terug te jagen’ naar het bijbelse Land Israël, opdat het daar ‘tijdens de eindstrijd in een zee van menselijk bloed’ zijn profetische ondergang kan ondergaan.

Ondanks zijn antisemitische gedachtegoed wordt Hagee, die ook vindt dat ‘het Newyorkse hoofdkwartier van de antisemitische VN de East River in moet worden gebulldozerd’, gevierd als een belangrijke vriend van Israël. In de recente Top-50 van invloedrijkste christelijke bondgenoten van Israël zette de Israel Allies Foundation (IAF) hem op de tweede plaats, pal achter voormalig vicepresident Mike Pence. De IAF is een netwerk van christelijke politieke partijen in veertig landen, waarvan ook de SGP en ChristenUnie deel uitmaken, en de belangrijkste motor achter de lobby voor anti-BDS-wetten in de Amerikaanse staten.

‘Unilever, laat je winst niet wegsmelten door het antisemitisme van Ben & Jerrys.’ De organisatie StandWithUs liet in de staat New Jersey, waar het Amerikaanse hoofdkantoor van Unilever is gevestigd, billboards plaatsen met teksten als deze. De campagne kostte een half miljoen dollar. Volgens StandWithUs is Unilever op grond van de IHRA-definitie van antisemitisme schuldig aan ‘corporate antisemitism’.

Israël beschouwt de christelijke organisaties als ‘onze Iron Dome in de VS’. De IAF en CUFI, en ook bijvoorbeeld het even radicale StandWithUs, ontvingen de afgelopen jaren forse donaties van Israël, deels via een front company met de naam Concert, die de eigenlijke afzender van het geld aan het oog moet onttrekken. Concert financiert ook organisaties en activiteiten in Europa en pro-Israël-activisme op Amerikaanse campussen. Onlangs gaf de Israëlische regering de schaduw­organisatie een financiële injectie van een kleine 30 miljoen euro.

Afgelopen december was Illinois de zesde Amerikaanse staat (and counting) die zijn beleggingen in Unilever ongedaan maakte, na een harde lobby van de ‘bijbelse Iron Dome’ en een laatste oproep van het Wiesenthal Center om Ben & Jerry’s te straffen voor zijn ‘boycot, die een gevaar inhoudt voor Joden overal ter wereld’. Op de zwarte lijst van de staat heeft Unilever gezelschap van liefst zeven zogenaamd ‘anti-Israëlische’ Neder­landse ondernemingen, waaronder de HEMA, ASN Bank en de Stichting Administratie­kantoor Beheer Financiële Instellingen. Vermoedelijk is duurzaamheidsbeoordelaar Sustainalytics (en moederbedrijf Morningstar) binnenkort de achtste. Ook in andere staten staan Nederlandse bedrijven op zwarte lijsten vanwege ‘het boycotten van Israël’.

Op de zwarte lijst van de staat Illinois staan liefst zeven zogenaamd ‘anti-Israëlische’ Nederlandse ondernemingen, waaronder de HEMA. Ook in andere Amerikaanse staten staan Nederlandse bedrijven op zwarte lijsten vanwege ‘het boycotten van Israël’.

Treife als de pest

Een jaar of vijftien geleden interviewde ik Ben & Jerry’s-oprichters Ben Cohen en Jerry Greenfeld in hun thuisbasis Vermont. Beiden zijn Joods, maar dat kwam slechts zijdelings ter sprake. Natuurlijk, het Joods-zijn was een aspect van hun identiteit en had een heel persoonlijke betekenis in hun levens, net als voor mij. Maar het is niet je Joods-zijn dat bepaalt of je een goed mens bent. Dan gaat het niet om etniciteit, religie of nationaliteit, maar om gedrag, om daden.

Cohen en Greenfeld waren druk met een campagne tegen de aanstichters van de Irak-oorlog, George Bush en zijn adjudanten Rumsfeld, Cheney, Rice en noem de hele kliek maar op. Ze eisten accountability. Er diende politiek verantwoording te worden afgelegd voor de op leugens gebaseerde en desastreus uitgepakte veldtocht tegen het regime van Saddam Hussein. Het toeval wilde dat ik op dat moment woordvoerder was van de organisatie Openheid over Irak, die in Nederland hetzelfde nastreefde.

Maar we spraken vooral over de in de VS schrijnende maatschappelijke ongelijkheid en de vraag hoe een onderneming daarmee moet omgaan. Cohen en Greenfeld vertelden over de tientallen projecten waarmee ze kansarme Amerikanen een weg uit vaak dramatische omstandigheden boden. In veel van hun ijswinkels deden jongeren werkervaring, sociale vaardigheden en een vast leefritme op. In New York bezocht ik een paar van die winkels. Nu staan daar demonstranten van het Wiesenthal Center en Christians United for Israel op de stoep, de protestborden hoog boven het hoofd: ‘End Jew Hatred!’

Wie is hier nu eigenlijk treife?

© 2007 - 2022 The Rights Forum / Privacy Policy